Irma snapt zelf ook niet hoe ze zo ver kon gaan. Want wat zij deze man aandeed, ging alle perken te buiten.

 

 

‘Elke dag schuifelde hij in zijn zelfde scharrige jasje de afdeling op en elke dag hing hij dat jasje aan hetzelfde haakje van de kapstok. Nooit keek hij iemand aan en als hij al groette was het een murmel die amper te verstaan was. ‘Ook goedemorgen’, zei ik op een dag, zo hard dat iedereen opkeek en de man verschrikt richting toiletten schoot. Om me heen werd gegniffeld.

 

Voordat ik er erg in had was dat ‘ook goedemorgen’ de grap van de afdeling geworden. Het werd om alles en nog wat gezegd. ‘Koffie?’ ‘Ook goedemorgen.’ ‘Iemand mee lunchen?’ ‘Ook goedemorgen.’ ‘Lekker weertje he?’ ’Ook goedemorgen.’ Ik was het niet gewend om grappig gevonden te worden en ik voelde me – hoe zal ik het zeggen? – best gevleid dat ik de aanstichter van al die lol was.

 

‘Leuk jasje!’ flapte ik er op een dag uit, toen hij zijn verschoten colbertje aan het haakje hing. ‘Nieuw?’ En weer vluchtte hij de afdeling af en had ik de lachers op mijn hand. Ik wilde niet gemeen zijn en voelde ook echt wel dat dit niet in de haak was, maar op een gegeven moment kon ik niet meer stoppen. Als ik taart trakteerde voor mijn verjaardag ging ik voor hem staan en trok de doos snel terug op het moment dat hij zijn hand uitstak. Bij problemen met mijn laptop riep ik hem om hulp en ging dan lullig zitten doen als hij er niet op inging.

 

Een aantal maanden geleden kwam onze leidinggevende de afdeling op om te zeggen dat de man in kwestie met ‘ernstige klachten van depressieve aard’ was opgenomen in een kliniek. Spanningen op het werk zouden de druppel zijn geweest die de emmer had doen overlopen. ‘Als er mensen zijn die zich dit aantrekken, zijn ze van harte welkom om zich vanmiddag op mijn kantoor te melden’, zei hij er nog achteraan. Niemand zei iets. Je kon een speld horen vallen. Een paar mensen keken mijn kant op.

 

Ik had niet de moed om me te melden. Bang voor de gevolgen en vervuld van schaamte over wat ik gedaan had. Hoe had ik zo intens gemeen kunnen zijn om een man die het toch al zo moeilijk had nog verder de grond in te trappen en hoezo had het me goed gedaan om andere mensen daarmee aan het lachten te maken?

 

Na die dag keerden mijn collega’s zich een voor een van mij af. Er werd gewoon helemaal niets meer tegen me gezegd. Alsof ik niet bestond. Ik ging er kapot aan. Zag geen andere oplossing dan een nieuwe baan te zoeken. Die heb ik nu gevonden. Ter compensatie van het verleden probeer ik de beste collega van allemaal te zijn. Maar dat doet niets af aan het schuldgevoel en de schaamte.’

 

 

Irma’s naam is vanwege privacy gefingeerd. Haar echte naam is bekend bij de redactie.

 

Moet jou ook iets van het hart en wil je dat (anoniem) met ons delen? Stuur dan een mail naar info@franska.nl onder vermelding van ‘Dit moet ik even kwijt’.