Opvoedervaring heb ik meer dan genoeg. En als ik zo naar mijn eigen viertal kijk, heb ik dat best aardig gedaan. Het zijn in ieder geval fantastische volwassen mensen geworden. Maar die teckel van ons, daar bak ik helemaal niks van.
Met de kinderen was het niet zo moeilijk. Veel liefde geven, af en toe een keer streng kijken en dan kwam het goed. Bij mijn pleegkinderen ging het niet veel anders. Ik heb er een stuk of tien in huis gehad, allemaal hartstikke leuk en lief.
Toen al die spruiten het huis uit waren, kwam de teckel. De kleine vrolijke puppy stal ieders hart, en vooral het mijne. Inmiddels is onze Guusje zes, en de liefste hond ter wereld voor de mensen die ze kent. Zodra een van mijn kinderen (die niet meer thuiswonen) binnenkomt, is ze niet te houden. Ze zou ze het liefst opeten van liefde. Springen, likken, janken van blijdschap. Heel aandoenlijk. Zelf hoef de vuilnisbak maar even buiten te zetten, of ze is al dolblij me weer te zien. Alsof ik jaren ben weggeweest.
Onze Guusje heeft rare voorkeuren. De ene buurman is haar beste vriend, van de ander moet ze niets hebben. Zo gaat het ook met honden: de chowchows van een paar huizen verder vindt ze geweldig, de boerenfox van hierachter ook. De poedel van de overbuurman zou ze het liefst in haar billen bijten, en de eigenaar erbij.
En kom vooral niet aan haar territorium. Vreemden die bij ons binnenstappen raden we meestal aan haar te negeren, dan wordt ze wel rustig. Maar vreemde honden op ‘haar’ uitlaatveldje, vreemde mensen aan de deur, ze verandert acuut in een woeste mini-wolf die ze het liefst zou aanvallen. Zelfs als we ergens op een terras zitten, verdedigt ze ‘haar’ tafel fanatiek tegen vreemde honden die zomaar langs durven wandelen.
We hebben echt ons best gedaan haar iets socialer te krijgen. Ze is op puppycursus geweest en heeft zelfs privéles gehad. Geen enkel effect (behalve dat ze mooi kan zitten en liggen. Als het haar uitkomt, tenminste). Als ze weer eens lelijk doet tegen een langslopende hond, maakt mijn strenge ‘Kom jij eens even hier’ totaal geen invloed op haar (trouwens, nu ik erover nadenk, misschien deed het dat ook al niet op mijn kinderen). Natúúrlijk komt ze naar het vrouwtje, niks liever. Ze huppelt naar me toe, draait haar lieve teckelbillen op mijn schoot en werpt me nog een trotse blik toe: ‘Heb ik die enge hond niet knap weggejaagd?’, voor ze met een diepe zucht in slaap valt.
Een teckel opvoeden, het valt niet mee.







