Het moet niet gekker worden

 

Gisteren: om vijf uur ’s middags gaat de bel, en omdat ik mijn dochter verwacht roep ik vrolijk, terwijl ik de deur opengooi: ‘Ha schat! Heerlijk dat je er bent!’

 

 

 

Maar het is mijn dochter niet. Het is een mevrouw in een donkerblauw mantelpak met een dito rolkoffer. Er kan geen lachje af. ‘Goedenavond,’ zegt ze, ‘dit is toch de Huppelepupweg 2?’ Jazeker, dat zal ik niet ontkennen. Ze zet een pas naar voren, alsof ze binnen wil komen. Een Jehova’s Getuige? Nee, vast niet, die zijn altijd met z’n tweeën. ‘Uh…,’ zeg ik, ‘mag ik vragen wat de bedoeling is?’ Ze ziet er namelijk uit alsof ze een afspraak met mij heeft en misschien ben ik dat vergeten. Maar ik weet het echt niet meer. Dan komt ze met deze mededeling: ‘Hier is toch iemand overleden?’ ‘Niet dat ik weet,’ antwoord ik stomverbaasd, ‘dat zou ik echt wel gemerkt hebben!’ ‘Hij is bijna overleden, nog niet helemaal, maar het kan elk ogenblik gebeuren,’ verweert ze zich, ‘dat heb ik doorgekregen.’  Mevrouw is van een uitvaartonderneming. ‘Ook dat zou me niet zijn ontgaan, mevrouw’, zeg ik. Bijna overleden? Hoe gek wil je het hebben? Zou je, als je dierbare nog ligt te ademen, maar wel bijna gaat hemelen, al een uitvaartonderneming bellen? Ik echt niet, eerst bijkomen en tot je door laten dringen wat er net is gebeurd, lijkt mij. Nog wat uren voor jezelf met degene die er niet meer is.

 

Mevrouw kijkt mij ongelovig en zeer ontstemd aan. Bijna zeg ik: ‘Ga dan zelf kijken als je mij niet gelooft!’ Alsof ik stiekem bijna-dode mensen in huis verstop. Ik had het onlangs over die enge spelonk in ons huis, weten jullie nog? Misschien heeft ze dat wel gelezen. ‘Het kán niet anders,’ klaagt ze benauwd, ‘dit is toch de Huppelepupweg?’ Ja, helemaal. Ineens bedenk ik dat er in een aanpalend dorp nog een Huppelepupweg is. De NIEUWE Huppelepupweg. Daar zit het probleem. Ik wijs haar op de kaart aan waar de dubbelganger van onze weg zich bevindt. Ze taait af met haar rolkoffer, toch nog eens achteromkijkend, want dat ik jok, sluit ze kennelijk niet uit. Dat zie ik aan haar lichaamstaal. Alsof ik dan naar boven hol en opgelucht roep: ‘Poe, dat scheelde een haartje zeg, ze is weg hoor, met haar rolkoffer!’

 

Of ze de bijna-overledene aan de andere Huppelepupweg heeft gevonden en hoe het verder is gegaan weet ik niet, maar nu denk ik: wat o wat zat er in die rolkoffer? Materiaal om die bijna-dode een laatste zetje te geven? Omdat het nu eenmaal toch te gebeuren staat? En dat je dan net zo goed even kunt doorpakken? Dat dit in de overeenkomst altijd wordt meegenomen? In mijn hoofd ben ik een film aan het verzinnen. Jullie weten het, Man en ik kijken bijna elke avond naar krimi’s. Ik vind het echt heel naar voor de familie aan die andere weg, maar het gesprek met die mevrouw vond ik toch bizar. Zij vast ook. Dan nu maar weer even door met dagen plukken en zegeningen tellen.

 

 

Door: Wieke Biesheuvel

Wieke Biesheuvel werkte en woonde zes jaar in Zambia, is nu voorgoed terug en probeert het Nederlandse leven weer onder de knie te krijgen. Waarbij ze beurtelings verbaasd, boos, dolgelukkig, verward of blij is.

Afbeelding van Wieke Biesheuvel