Geluk is een dorp

 

Ik groeide op in een durp, zo noemen ze dat daar. Ook nog eens op een eiland dat alleen bereikbaar is via een brug, maar daar hebben we het later wel over.

 

Tussen het middelbare scholieren door trapte ik honderden kilometers weg tussen de dorpen om wat educatief goed in de hersenpan te krijgen (en strak dat ik was, poeh poeh), om daarna als de wiedeweer richting het stadse te vertrekken. Amsterdam werd het. Ik bewoonde downtown Oost, een stukje Dappermarkt en zocht daarna onderdak in Rotterdam. Dat noemen ze hier in nul-twintig trouwens ook wel een overloper, maar ik vond het gewoon living on the edge. Na wat jaar in de havenstad zakte ik nog wat kilometers af naar het zuiden, om te verblijven in een klein Brabants stadje, maar met rechten en een groot ego. En nu, nu woon ik ineens in een dorp.

 

Iedereen verklaart me koekoek dat ik het dorp boven de stad verkies, maar het geeft mij net die vierkante centimeters rust in de bovenkamer na een dag met jouw editors. Stapelgek ben ik op ze, maar een decibellen dat ze samen produceren. Heerlijk vind ik het om na die drukte over mijn bruggetje naar huis te zoeven. Als ik thuis de tuindeur openklap, hoor ik vogels, getuf van een bootje over de Vecht en de muziek van mijn buurman (die thank god bovengemiddeld goed is). Geen gezoef van de snelweg, niet het geruzie van mijn boven-beneden-naaste-buren, de geur van de lokale shoarmaboer, in mijn dorp beland ik nooit met mijn fietsband tussen de tramrails (ik ben dan ook niet zo’n fietser) en dat halve maandsalaris blijft lekker in de zak in plaats van op de parkeerplaats voor de deur. Ik ben trouwens net zo snel op de redactie als de gemiddelde centrumbewoner met fiets onder mijn collega’s. Ha, ik vind het een genot.

 

 

Ik vertelde je eerder al waarom het oké is om niet in de stad te wonen, maar ik weid graag over dingen uit en nu kan ik het ook nog eens wetenschappelijk onderbouwen. En als ik uit kan weiden met een professor achter de hand om het te beargumenteren, ben ik een gelukkig mens. Over geluk gesproken, daar gaat het dus over. Uit onderzoek blijkt dat Nederlanders die in een dorp wonen gelukkiger zijn. Nou, past dat even bijzonder goed in mijn woonsituatie. Echt, alsof ik het er om doe. Wat natuurlijk ook zo is. Maar zevenentachtig procent van je landgenoten voelt zich in meer of mindere mate gelukkig. Kijk, dat vind ik een uitermate bevredigende score. De top tien van gelukkige plaatsen in ons land wordt bevolkt door dorpelingen, zegt de Atlas voor gemeenten. Zoals ik dus. Dat komt doordat het dorpse volk meestal voorzien is van werk, een goede gezondheid en het profiteert van een veilige woonomgeving met, wat zei ik je, rust en ruimte.

 

Nu woon ik bij voorkeur liever niet in een dorp waar ik ie-de-reen gedag moet zeggen trouwens. Bij te veel bekends verstop ik me het liefst tussen de groenten in pot van het supermarktschap. Maar ik vind het dan wel een soort van gezellig om tussen het bestellen van de kogelbiefstuk en rosbief door even te kletsen met de slager van middelbare leeftijd (nee, geen vegetariër hier). Of dat ze je als je drie keer bij de bakker bent geweest met herkenning groeten en alvast je halfje spelt pakken, ook nogal dorps. Net als dat ik eindeloos kan filosoferen over het beroep van mijn overburen, maar niet dat ik ook echt wil weten wat ze tussen negen en vijf uitspoken. Ik ben een stille, gelukkige dorpsbewoner. Laten we het daar maar op houden. Al zou het me bijzonder goed uitkomen als de populatie drankgelegenheden toeneemt en ze ook even een Zara aan het winkelaanbod toevoegen. Verder helemaal tevreden hier.

 

Door: Adeline Mans

Fotografie: Nikita Holst

Afbeelding van Adeline Mans