Flo, files, en een ontmoeting met M.

 

Het is niet opgenomen in de top 10 van marteltechnieken, maar wat mij betreft zou hij erbij mogen: iemand die je 1765 keer dezelfde vraag stelt en je vervolgens uit je slaap houdt.

 

 

 

 

Flo doet het. Niet altijd, maar vaak wel. Het liefst met haar wang op twee centimeter afstand van die van mij. Of terwijl ze aan mijn hoofdhuid krabbelt. Net zolang tot er wondjes ontstaan en ze daar de korstjes dan weer van af kan krabben. In een opperste staat van gelatenheid sta ik het nog toe ook. The things you do for love.

 

Ook ik heb mijn grenzen. Je moet ver zoeken, maar ze zijn er. Bij vreemde kinderen spenen uit de mond willen trekken, dat keur ik af. En het zomaar schreeuwen naar twee herdershonden dat ze gemeen zijn, ook dat gaat me te ver. Een andere noviteit die zich laatst voordeed, aan het stuur trekken terwijl ik met 100 kilometer per uur over de snelweg van Middelburg naar Haarlem reed, accepteerde ik niet. Ik parkeer mijn auto op de vluchtstrook, zeg dat Sinterklaas zo geen cadeautjes zal brengen en breng de gevoelsmatig langste rit uit mijn leven er met klamme handjes uiteindelijk goed van af.

 

Wat ik wel doe, is mijn middelste meisje vragen om mijn geliefde te appen om de dokter te bellen en te vragen of ze een momentje voor me heeft. Geliefde appt terug: morgenochtend om 09:00 uur en anders om 17:30 nog als we het redden met het verkeer. Dat laatste lukt niet. When it rains, it pours, zeggen de Engelsen, en dat is bij ons spreekwoordelijk ook het geval. We rijgen de files aan elkaar en tellen uiteindelijk zeven uren in de auto. En dat met een stuurtrekkend, schreeuwend meisje achterin.

 

De dokter staat al in de deuropening als ik de zware voordeur openzwaai. We lopen naar haar praktijkruimte die niet voor niets is gebruikt als locatie in April May and June, zo klassiek is hij. Ik zit op de houten stoel met de leren zitting waarvan de veren me elke keer weer een beetje de lucht in proberen te duwen. Zij is even stil en ik stroom. Over gisteren, over alles wat ik tot nu toe heb gedaan, over mijn happy points, over de boeken die ik heb gelezen om te helen en, en, en. Tot ze zegt dat ik ook wel mijn sad points mag erkennen. Dat ik mag rouwen. En of we nu misschien niet moeten erkennen dat we al veel te lang ontkennen?

 

Ik sleep de doos met tissues die altijd plichtsgetrouw op haar bureau staat naar me toe. Ik knik en zij knikt terug. Weet ik het zeker? Ik knik. Dan gaat ze nu bellen. Aan poorten rammelen. Maar nu echt.

 

Als ik een uur later met een prop tissues in mijn hand de spreekkamer uitloop, staat de volgende patiënt al klaar. Ik kijk langs haar, mijn blik op de buitendeur die ik straks met een stevige ruk zal moeten opendoen. Dan zie ik wie daar staat. Het is M., een van de oudste vriendinnen van mijn moeder. M. die haar portie ellende in het leven ruimschoots toebedeeld heeft gekregen. Ze opent haar armen en laat me niet los. Haar ‘ach meisje toch’ was precies, maar dan ook precies wat ik op dat moment nodig had.

Door: May-Britt Mobach

Afbeelding van May-Britt Mobach