Dat wilden we. Mijn lief, normaal een nogal drukbezet persoon, had voor het eerst in jaren een vrij lege agenda, dus we hadden elkaar aangekeken en tegelijk “we doen het gewoon” gezegd. Vier hele weken. Als we eerlijk waren zelfs vier weken en twee dagen. Drieëndertig dagen zon, pasta, een stapel boeken, vooruit; Aperol Spritzen, sorbetto’s al limone, cappuccini voor 1 euro 80 en zout op onze huid. Na een week of twee zou Ewart terugvliegen om Flo te halen en haar na een kleine week weer terug te brengen naar haar veilige huis. Dat was het plan geweest. Maar Flo besloot anders. “Ik ga niet mee naar Italië.” Soms voegde ze er een “maar toch bedankt” aan toe. Meestal een resoluut “ik blijf gewoon hier.”
We hadden gezucht, aangedrongen, ons hoofd schuin gehouden, zelfs geprobeerd te verleiden met La Pyramide, de Italiaanse speelgoedwinkel waar je in kan verdwalen zo groot, en natuurlijk met de gefrituurde visjes van ons lievelingsrestaurant. Wat we ook in de strijd wierpen; nee bleef nee.
Ik sprak met de begeleiders, wat zij ervan vonden. Ze dachten dat Flo me heus zou missen, maar dat het binnen haar autistische brein waarschijnlijk ook helder was. Mama was op vakantie. We zouden het in picto’s vangen en ik had een uitgebreide planning gemaakt in haar picto-agenda die de begeleiding elke dag met haar doornam. Twee keer per week kwam er bezoek van mensen waar ze bijzonder dol op was en op de vrijdag, de dag waarop ze anders in Haarlem komt logeren, werd er een cadeautje bezorgd. Zo zouden we het oplossen en zou het heus goed gaan. En dat ging het ook. Heus. Een tijd. Elke avond belde Flo en was ze via de videoverbinding echt bij ons. Soms wel een uur lang waarin ik Bel en Iggy in het zwembad moest gooien en samen met Bel een kleurplaat inkleurde terwijl Flo de kleur van de stiften uitkoos.

Maar er was een ‘toch’, een ‘mits’ en een ‘maar’. In de app van het zorgsysteem die ik altijd exact om 15:00 en om 21:00 (de momenten waarop het tussentijdse verslag wordt geschreven) las, zag ik vaker onrust. En heel veel ‘Flo mist mama’, ‘Flo vraagt naar mama’. Toen ik las dat ze over het hek was geklommen om te kijken of ik er al aankwam en dat ze vroeg om te mogen schommelen zodat ze vanaf daar naar de auto’s kon kijken, werd er een steen in mijn buik gelegd. Waar je normaal gesproken hoopt dat de vakantie nog maanden duurt, begon ik de dagen nu af te tellen. Aan mijn lief vroeg ik waarom we eigenlijk pas op maandag vlogen en of we dat niet konden veranderen naar zaterdag, of voor mijn part zondag. Elk uur eerder bij Flo telde. Terwijl hij zijn laptop openklapte — had ik al gezegd dat ik de meest geweldige man van de planeet aarde heb? — ging ik op het luchtbed in het zwembad liggen, hopend een beetje ontspanning te vinden. Een minuut of vijf later hoorde ik de laptop dichtklappen en klonken zijn voetstappen richting het muurtje naast het zwembad. Hij zuchtte toen hij ging zitten. “Eerder terugvliegen is om heel veel redenen niet handig…” hij keek me aan. “Maar jij kan wel morgenavond vliegen, dat is heel laat, je bent pas midden in de nacht thuis, en dan zaterdagavond terug.” Ik sprong van mijn luchtbed en struikelde over het zwembadtrapje terwijl ik naar hem toe rende. Het maakte me allemaal niet uit. Midden in de nacht aankomen, onhandige vluchttijden, kom maar door. En het spijt me heel, heel erg voor mijn ecologische footprint-vergroting, echt. Ik zal heel veel plastic gaan prikken en een maand naar kantoor fietsen, maar vrijdag, dan slaap ik met Flo.







