Een snoepje voor Guusje

 

Martine past dolgraag op haar kleindochter. Een dag in de week heeft ze Guusje over de vloer. Dat was altijd een groot feest, maar sinds kort is alles anders…

 

‘Ik ben doodmoe als ik de voordeur achter me dichttrek. Na een dag voor mijn kleindochter zorgen ben ik voor het eerst blij dat ze naar huis gaat. Gek genoeg bekruipt me steeds vaker het gevoel dat ik er eigenlijk helemaal geen zin meer in heb.

 

Dat heeft niks met mijn kleindochter te maken hoor, ik ben gek op Guusje. Toen mijn zoon en schoondochter vroegen of ik wilde oppassen was ik heel erg vereerd dat ze het vroegen. Natuurlijk hoopte ik heel erg dat ze het aan me zouden vragen, want ik wilde me absoluut niet opdringen.

 

De eerste keren dat Guusje de hele dag bij mij was vond ik best spannend. Mijn schoondochter had een lijst gemaakt met dingen waar ik op moest letten: hoe laat ze moest slapen, hoeveel ze moest drinken. Dat was toen heel makkelijk, want ik hoefde alleen maar de fles te geven. Maar nu Guusje wat ouder is, wordt het steeds ingewikkelder.

 

Mijn schoondochter is heel precies in wat Guusje wel en niet mag eten. Liefst alles biologisch en puur. Dus als ik eten voor Guusje klaarmaak moet ik altijd opletten dat ik haar geen ‘verkeerde dingen’ geef. Van mijn schoondochter mag Guusje ook absoluut geen limonade, koekje of snoepje. Soms werd ik daar wel een beetje moe van, die heel strenge regels over eten en drinken. Dat kind is pas drie. Hoe erg is zo’n snoepje nu eigenlijk? Waar maakt mijn schoondochter zich druk om, dacht ik dan.

 

En daar is het misgegaan. Want van mij kreeg Guusje wel een snoepje. Eentje. Een klein zachtroze spekkie na de middagboterham. Als ze haar broodje en een stukje fruit had opgegeten. Ik mag haar toch wel een beetje verwennen? Ik moet al zo streng zijn met de door haar moeder opgelegde eetregels. En voor mijn gevoel deed ik er dan ook niks verkeerds aan.

 

Toen mijn schoondochter Guusje laatst kwam halen, zag mijn schoondochter het zakje spekkies op het aanrecht liggen. Ze keek me geïrriteerd aan en vroeg scherp of ik Guusje soms snoep gaf. Ik voelde me betrapt en kon niet anders dan zeggen dat ze van mij inderdaad een snoepje krijgt.

 

Mijn schoondochter werd heel boos. Of ik wel wist wat voor gif ik mijn kleindochter gaf. Ze had me toch duidelijke regels gegeven over wat Guusje wel en niet mocht eten? En wat ik nog het ergste vond was dat mijn schoondochter zei dat ze hierdoor twijfelde of ze mij wel met haar kind kon vertrouwen. 

 

Ik wist niet wat ik hoorde. Mij niet met Guusje vertrouwen? Alsof ik mijn kleindochter geslagen had! ’s Avonds belde mijn zoon. Ook hij vroeg me gelaten of ik Guusje geen snoep wil geven. ‘Zo wil ze het nu eenmaal, mam’, zei hij nog zachtjes. Aan zijn stem hoorde ik duidelijk dat hij niet zo goed wist wat hij met de situatie aan moest.

 

Die opmerking van mijn schoondochter heeft een flinke kras op mijn plezier gezet. Hoewel ik dolgraag op Guusje pas is de glans er voor mij vanaf. Als mijn schoondochter mij niet vertrouwt, moet ze Guusje maar naar een kinderdagverblijf brengen.’

 
 

Door: Martine