De onverwachte wandeling

 

Het was die periode van de maand. Sommige dingen zijn Flo vreemd, andere totaal niet.

 

 

 

 

Dus ook zij menstrueert met alle mentale schommelingen die daarbij horen. Toch gaan we wandelen. Monti moet uit en als ik ga, wil Flo mee. Knorrig of niet. Of ze lawaai mag maken, vraagt ze. Van mij wel, knik ik en ik loop vooruit. Met Bel. Middelste meisje is zo groot dat we het over alles kunnen hebben. In gesprek zijn we ons bijna niet bewust van de geluiden die Flo maakt. Pas als andere wandelaars wat verbaasd opkijken, zien we wat zij zien. Een meisje van 15 dat met brede armbewegingen en luide stem Tinkerbell imiteert. In het Engels. ‘Ze doet een beetje raar en ze is een beetje raar’, grappen we naar drie wandelaars. Ze lachen en zijn opgelucht. Ze dachten dat het hun reusachtige hond was die haar schrik aanjoeg, maar nee. Niks aan het handje. De zon schijnt, Monti rent van ons naar Flo en terug.

 

Halverwege ons rondje vertraagt Flo de pas en verhoogt ze het volume. Wij manen haar tot een versnellinkje meer. Tevergeefs natuurlijk, dus we slenteren door het duinzand. Een vrouw passeert. Ze draait zich om en kijkt lang naar Flo. ‘Let maar niet op haar, ze zit in een Tinkerbell-scène.’ Ik verwacht dat ook zij zal lachen, maar ze kijkt me met een wat holle blik aan. ‘Ik dacht dat peuters de hel waren, maar het wordt blijkbaar alleen maar erger.’ Ik voel mijn hoofd een paar centimeter naar achter bewegen. Alsof iemand me een rechtse directe verkoopt. ‘Nou, euh, zij heeft een beperking dus die regel gaat niet helemaal op voor alle kinderen van haar leeftijd’, weet ik er nog uit te persen. Bel en ik zijn allebei een beetje beduusd. Zei ze dat nou echt? Dat was toch werkelijk heel onaardig? ‘Loop maar door, mam. We gaan hier naar links, dan snijden we af en komen we haar niet tegen.’ Mijn meisje is wijs. Omdat Flo haar pas nog meer vertraagt, zien we de vrouw vijf minuten later weer. Ze gooit steentjes in het water. Weer die blik. Ik besluit het te doen. Gewoon rustig, maar ik doe het wel. Niet alleen voor mij, maar voor iedereen die anders is. ‘Het kwam op mij best kwetsend over wat je net zei.’ Ik kies de woorden bewust. Zij heeft het misschien niet zo bedoeld, maar het kwam als kwetsend op mij over. Weer die blik. ‘Wat zei ik dan?’ vraagt ze zonder te knipperen. Ik herhaal haar woorden. Een stilte. Een ‘o’. Ik verklaar me nader. Zeg dat Flo is wie ze is. Dat sommige mensen anders zijn en ja, dat kan bewerkelijker en a-typischer zijn. En dat we er, ik in dit geval, mee te dealen hebben. Ze knikt. Ze zegt dat ze alleen zelf het huis is ontvlucht omdat ze zich thuis even geen raad wist. En toen zag ze mij. En voelde ze dat ze niet alleen was. Ik probeer een grapje te maken en lucht te zoeken. ‘O, tweejarigen. Ja, dan ben je vaak op zoek naar het behang. Om ze achter te plakken.’ Ze is even stil. ‘Of de gebruiksaanwijzing.’ Flo is naast me komen staan en slaat haar armen om me heen. De vrouw draait zich om en gaat verder met steentjes gooien. Ik weet dat het niet haar bedoeling was om te kwetsen. We hebben allebei even een issue en het is goed dat we het hebben uitgesproken. Maar lucht en licht, dat heb ik haar helaas niet kunnen brengen.

 

De laatste driehonderd meter van ons rondje zijn niet makkelijk. Flo heeft de telefoon van Bel in het zand gegooid. Bel boos. Flo verdrietig. De een is bijna bij de auto, de ander gaat zitten in het grind en heeft, jawel, nog verder aan de volumeknop kunnen draaien. Op een bankje rechts zit een vrouw met een Berner senner. Hij drupt nog na van een duik in het meer, zij draait haar wang in de zachte zon en checkt haar telefoon. Heen en weer loop ik langs het bankje. Naar de een roepend dat ik eraan kom, de ander lokkend en verleidend richting auto.

 

De vrouw lacht zachtjes naar me. ‘Ook deze dag gaat voorbij’, zegt ze. Ik hoop dat ze deze wijze woorden straks ook tegen de steentjeswerper zal zeggen.

Door: May-Britt Mobach

Afbeelding van May-Britt Mobach