Hoewel ik door de felle zon alleen de contouren van de persoon die op me af komt lopen zie, herken ik haar meteen. Een moeder van vroeger. Van het schoolplein. Zo een waarvan je het niet heel erg vindt dat je kinderen niet meer bij elkaar in de klas zitten. Als ouders ben je toch maar een beetje veroordeeld tot diegenen bij wie je kind in de kleuterkring aanschuift. En waar je met de een vriendschap voor het leven beklinkt, vergat je van de ander zelfs even dat-ie bestond. Zoals deze vrouw dus. Geen slecht mens, natuurlijk niet. Maar wel iemand die over het bijna onnavolgbare talent beschikt om, zonder nog maar de mond te hebben geopend, je nekharen in verticale stand te krijgen.
De onafwendbare “Hé, hoi, hoe is het met jou?” volgt. Met haar gaat het, natuurlijk, goed. Heel goed. Alsof het een verdienste is. Haar kind ging naar het gymnasium, haar kind hockeyt in de selectie en haar kind speelt viool. Dat er voor elke discipline bijlessen worden ingezet om haar overal op een podium te plaatsen, dat wordt er niet bij vermeld. Maar goed. Haar leven is heel fijn. Ze was net nog even met de cabrio door Zuid-Engeland gereden. En wat denk je? De hele vakantie zon. Ze glimlacht genoegzaam.
Ik denk aan mijn lieve vriendin I. die precies op dat moment haar neefje van 19 begraaft. Want laten we eerlijk zijn: zo leuk is het leven niet. Niet altijd.
Na een lange lijst van dingen die goed gaan, komt hij: de vraag hoe het met ons is. En dan vooral met de euh, je weet wel, de oudste. “Als je Flo bedoelt, daar gaat het hartstikke goed mee,” antwoord ik, terwijl ik met een schuin oog Monti in de gaten houd. Dat antwoord, daar is ze niet tevreden mee. “Maar ze is toch, euh, uit huis?” Ze heeft inmiddels een stokje uit haar tas gehaald met als doel even flink in mijn wond te poeren. Bij dit soort types is het zaak om het zo luchtig mogelijk te houden.
Dat het klopt. Dat we een geweldig leuk huis hebben gevonden en dat ze het heel erg naar haar zin heeft. “Maar euh, ik hoorde dat het best ver weg is.” Aha, mevrouw is dus beter op de hoogte dan ze laat merken. “Uurtje rijden,” knik ik. “Kwestie van Adele opzetten, heel hard meezingen en je bent er.”
Dan wil ze weten hoe vaak ik op bezoek ga. Dat is ook geen geheim, dus ik zeg dat ik op woensdag op bezoek ga en dat ze vrijdag eigenlijk altijd komt logeren. Ze knikt. “Dat dat weer kan, joh, logeren. Zo hé.”
Ik sta op het punt om verder te wandelen als ze, ik gok in een poging om vrolijk af te sluiten, zegt: “Dat lijkt me wel belangrijk. Anders verlies je toch contact met zo’n kind.”
Ik wil van alles zeggen. Dat Flo de naam van haar kleuterjuf nog weet. Dat zij toch ook niet haar kind vergeet als het een half jaar in het buitenland zit. Dat Flo een meter in de lucht springt als mijn schoonzus op bezoek komt, of mijn broer, die ze soms ook best heel lang niet ziet. Dat we versmelten als we elkaar zien. Als twee puzzelstukjes in elkaar glijden. Dat, waar ik ophoud, zij begint. Dat ik voel aan mijn buik als Flo een minder moment heeft en dat we elkaar op dezelfde momenten missen. Dat… dat wil ik allemaal zeggen.
Maar ik laat het maar. Ik vrees dat het de moeite niet loont.







