Bijles

En toen werd plots het nieuws overheerst door de ongelijkheid veroorzaakt door bijles.

 

 

Privé-bijles is duur, vaak erg duur, dus ontstaat de 73e tweedeling van onze maatschappij, namelijk de kinderen met en de kinderen zonder privé-hulp om de lacunes in deze coronatijden op te heffen.

 

‘Bestond vroeger ook bijles?’, vroeg mijn vrouw. Ik kon me daar niets van herinneren, dat kan ook komen doordat mijn ouders dat zeker niet hadden kunnen betalen.

 

Wat ik me wel goed kan herinneren, waren de lessen Frans na school. Als je tot de betere leerlingen behoorde, dus waarschijnlijk naar de HBS of het gymnasium zou gaan, kon je twee keer in de week na school, dus van kwart over vier tot kwart over vijf, leren dat ‘Les hirondelles bâtissent leurs nids’ betekent ‘De zwaluwen bouwen hun nesten’. Dat was les 2, in les 1 leerden wij dat ‘Papa fume une pipe’. Blijkbaar was roken normaal en mocht ‘Maman’ geen pijp roken.

 

Ik had een gruwelijke hekel aan die extra lessen. Als je niet zo goed kon leren, mocht je lekker voetballen; ik haalde redelijk hoge cijfers en moest voor straf twee keer in de week nablijven. Heeft die bijles Frans geholpen? Zeker niet. De eerste twee maanden liep het voor de kinderen met bijles iets soepeler op de middelbare school, daarna was het voordeel weg. Mijn voetbaltrauma was niet zo snel weg.

 

In mijn jeugd werd er trouwens helemaal geen rekening gehouden met het feit dat het misschien niet zo leuk is om met de hele klas als getuige te horen dat je (weer) een onvoldoende had, zoals kinderen overkwam die moeite hadden met leren.

 

In de zesde klas van de lagere school (laatste klas toen, weet je nog) hing achter in de klas aan de muur een overzicht van de prestaties van alle leerlingen van de afgelopen periode. Iedereen kon controleren of Albert (die altijd een druppel aan zijn neus had hangen) nog steeds de slechtste van de klas was, en Gemma (die altijd als eerste haar vinger opstak om het antwoord te geven) nog steeds de beste. Beiden lagen niet goed in de groep; Albert mocht soms keepen als wij een speler tekort kwamen en Gemma stond vaak alleen in de pauze, wel met een boek. Later hoorde ik van een van haar spaarzame vriendinnen dat Gemma dat boek alleen maar bij zich had om zich een houding te geven.

 

Ook op de middelbare school werden proefwerkcijfers voorgelezen in de klas. Sommige leraren gingen van hoog naar laag, andere van laag naar hoog, en een derde groep las voor op alfabetische volgorde. Tja, mijn achternaam zit aan het eind van het alfabet, ik heb daar een zenuwtic aan overgehouden.

 

En het ergste heb ik voor het laatst bewaard. Gymnastiek. Bij sport en spel moest er gekozen worden. Twee teamcaptains werden naar voren geroepen en mochten – na loting – om de beurt een teamgenoot uitzoeken. Onze gymleraar op het gymnasium werd steeds progressiever en menselijker. Eerst werden de laatste twee door hem opgedeeld om de schande te beperken. Maar die schade was al aangericht toen de ene aanvoerder tegen de andere zei: ‘Neem jij hem maar, dan neem ik deze keer wel Albert.’ Later deelde hij de laatste vier op en nog later de laatste zes.

 

Of Albert nog leeft weet ik niet, maar dat hij regelmatig terugdenkt aan deze vernedering lijkt me onvermijdelijk.

 

Door: Rob Versteeg