‘Mijn moeder was het mooiste meisje van de klas, a natural classic beauty, een vrouw waar iedereen op straat zijn hoofd voor omkeerde, zo adembenemend perfect. Lange blonde krullen, groene ogen, volle lippen, prachtig gevormde kleine oorschelpen die plat tegen haar hoofd lagen, een olijfkleurige huid, lange dunne benen, lange slanke vingers, borsten waar – zelfs toen zij al bijna zestig was – jonge meiden een moord voor zouden doen. Komen we bij mijn vader dan komen we bij het tegenovergestelde van perfect. Zijn lijf is altijd dikkig geweest, zijn hoofd pafferig. Niet gezegend met een mooie huid, noch met een gezonde bos haar. Mijn vader zag scheel van het geld. Daarom – denk ik – kon hij mijn moeder krijgen. Want eigenlijk had mijn moeder elke man kunnen krijgen en hoewel mijn vader een aimabel mens was, was hij ook weer niet uitsluitend aardig tegen mijn moeder. Want dankzij mijn vaders maatschappelijke status kon hij (bijna) elke vrouw krijgen en was hij niet tot mijn moeder veroordeeld.
Mijn jongere broer is het evenbeeld van mijn moeder: gezegend met haar perfecte uiterlijk. Ik had minder geluk met mijn gelijkenis met mijn vader. Altijd het dikkertje, altijd polletje piekhaar, altijd pukkeltjes. Hoewel mijn moeder haar best deed om er wat van te maken – ze kocht de duurste kleren voor me, stuurde me naar de beste kappers en huidspecialisten en stimuleerde me om te sporten en op mijn voeding te letten – verbleekte ik naast haar tot een onopvallend lelijk eendje.
Toen ik ging puberen leed ik daar zo erg onder dat ik niet meer met haar over straat wilde, zo diep ongelukkig werd ik van alle bewonderende blikken voor haar terwijl ik niet eens leek te bestaan. Voor mijn gevoel sukkelde ik een beetje achter haar aan en maakte het geen enkel verschil of ik er nu wel of niet was omdat toch niemand me zag – en als dat eens anders was met een blik van medelijden.
Ik ben ervan overtuigd dat ik minder onzeker geweest zou zijn – en minder ongelukkig met hoe ik eruit zie – als mijn moeder niet zo’n beauty was geweest. Want door haar uiterlijk heb ik altijd het gevoel gehad dat er iets was wat me niet gegund was, wat me niet toekwam. Iets was ik misgelopen was en wat me altijd met spijt vervulde.
Sinds twee jaar is mijn moeder er niet meer. Haar dood heeft natuurlijk niets veranderd aan mijn gevoel voor eigenwaarde. Doordat ze er niet meer is heb ik hooguit het gevoel overgehouden dat onze relatie leuker geweest zou zijn als ik me niet zo tegen haar had afgezet. Ze kon er immers niets aan doen dat zij alles had wat ik ontbeer en als ik heel eerlijk ben heeft ze er nooit mee te koop gelopen en zich er nooit op doen voorstaan. Mijn vader vertelde na haar dood dat zij het zelf misschien nog wel erger had gevonden dat ik niet meer van haar weg had. Had het geholpen als ze dat bespreekbaar had gemaakt? Ik ben bang van niet. Ik denk dat het gewoon hoe dan ook lastig te verteren valt om in een wereld die zo om uiterlijkheden draait, weinig mee te hebben gekregen van moeder natuur. En dat voelde mijn moeder met mij mee. Daarvan ben ik inmiddels wel doordrongen.’






