Dat alpinopetje gaf de doorslag

 

En daar sta ik dan, met een snikkende heer op leeftijd in mijn armen, zijn alpinopetje kriebelend onder mijn kin.

 

Ik zie hem en profiel in het langslopen maar het dringt pas tot me door als ik er al voorbij ben. Was het hem nou echt? Nog steeds niet overtuigd loop ik terug, maar bij het zien van het alpinopetje weet ik het zeker en stap ik naar binnen. Voorzichtig tik ik hem op zijn rug, die krom is geworden onder het gewicht van de jaren. Hij kijkt op – het is het soort kijken zonder te zien. En dan komt hij bij zinnen en barst hij meteen in snikken uit onder een hartverscheurend:

 

‘Ik heb jullie zo gemist!’

 

Daar sta ik dan, met een snikkende heer op leeftijd in mijn armen, zijn alpinopetje kriebelend onder mijn kin, midden in een bomvolle groentewinkel waar het opeens muisstil is geworden.

‘Kom’, zeg ik. En ik neem hem aan de arm naar een koffietentje, naar een tafeltje in de hoek. Hij ziet er broos uit, lijkt in niets meer op de eeuwig energieke in-control regelneef van vroeger. Ik hoef het niet te vragen, hoef niets te vragen, want hij begint uit zichzelf, vertelt alles wat hem invalt door elkaar alsof het zijn laatste kans is om nog ooit te spreken. De eenzaamheid is hem aan te zien. Niemand heeft hij meer, zegt hij – en het snikken begint weer. Zijn volkstuintje, dat heeft hij nog wel en daar gaat hij elke dag naartoe om de zwerfkatten te voeren. Als het koud is laat hij de deur van het tuinhuisje op een kiertje voor ze staan want dat is lekker warm voor ze. Soms zitten er een paar eenden te suffen als hij er binnenkomt. Dat maakt hem ook niet uit.

 

Vanmiddag komt hij op de thee. Ik ken zijn lievelingssoort want het elkaar kennen is door en door en gaat lang terug. Het gaat terug naar toen ik nog een jonge moeder was en ik iemand zocht die de boel thuis kon runnen als ik er niet was. Hij viel op door de keurige, handgeschreven brief ‘naar aanleiding van de advertentie in de krant’ en toen ik hem voor het eerst zag herkende ik in hem meteen het lot uit de loterij.

 

Het verhaal over de katten en het tuinhuisje wordt deze middag wederom gedaan. En daarna het verhaal over zijn moeder die hem altijd zo venijnig ‘mietje’ noemde. En dan vraag ik hem, misschien wel wat plompverloren, of er nooit een partner voor hem is gekomen. Want dat is wat ik denk. Heel even zie ik de achterdocht. Maar dan komt het verhaal van die ene man waar hij zo goed mee was en dat ze op het punt stonden om een relatie te krijgen, dat er nog niets was gebeurd – dat is niet wat ik moet denken – maar dat het te gebeuren stond en dat die man toen plotsklaps overleed aan een acute niervergiftiging. Ziezo, dan weet ik het nu. Dat hij zijn leven lang heeft geworsteld met zijn gevoelens.

 

 

Ik zeg dat ik het wist toen hij voor het eerst bij me aanbelde. Dat ik het wist toen ik zijn sollicitatiebrief las. Begrijp ik het nou goed dat hij bijna negentig is en nog steeds bang is om uit de kast te komen? Bang voor oordelen en afwijzing en bang om weer net als vroeger het ‘mietje’ te zijn waar zijn moeder hem zo om haatte? Dan begrijp ik zijn eenzaamheid nog beter dan ik al deed, zeg ik. Volgende week komt hij weer, zegt hij. Gewoon voor een kopje thee, want dat smaakte hem goed.

 

Door: Brigitte Bormans

Brigitte werkte jarenlang als culinair journalist en schreef twee kookboeken. In 2004 werd ze directeur/eigenaar van Erfgoed Logies. Maar zonder schrijven kan ze niet. Gelukkig zag Franska wel iets in haar columns, kwam van het een het ander en mag er nu ook over andere zaken worden geschreven.

Fotografie: Nikita Holst

Afbeelding van Brigitte Bormans