Somber zijn mag

Elke avond kom ik hem nog een knuffel geven. En fluister ik in zijn oor ‘Ik. Hou. Van. Jou.’

 

 

Verveeld schopt hij een steentje weg. We lopen samen een blokje om met de hond. ‘Als ik er niet meer zou zijn, interesseert jullie dat niks.’ Ik sta abrupt stil. De hond kijkt verbaasd achterom. ‘Wat zeg je nou voor iets geks?’ Hij haalt zijn schouders op. ‘Het is toch zo?’ Ik draai me naar hem toe en pak hem vast. ‘Ik wil niet dat je zulke dingen zegt. Je vader, zusje en ik houden ontzettend veel van je. Dat weet je toch?’ Hij schudt zich los en haalt opnieuw zijn schouders op.

 

Sombere gedachtes. Mijn tienjarige zoon heeft ze al jaren. Hoe ouder hij wordt, hoe vaker hij ze noemt. Ik ben niks, ik kan niks, ik ben raar, niemand vindt me aardig. Vaak ga ik er tegenin. Soms laat ik het, zie ik het als een bommetje dat hij dropt, een schreeuw om aandacht. Dat ik zijn gevoelens herken, maakt het niet makkelijker. Ze confronteren me met mijn eigen wat sombere inslag, en bezorgen me een schuldgevoel. Want ik weet dat ik hem een genenpakketje heb gegeven waar de karaktereigenschap onbezorgdheid niet sterk in is vertegenwoordigd. Mijn vader biechtte vroeger op dat hij het burgerlijke bestaan maar zwaar vond, en zei min of meer grappend dat hij soms wenste dat het afgelopen was. Mijn oma zei vaak tussen neus en lippen door dat haar leven mislukt was, mijn opa spoelde zijn ongenoegen weg met een paar flessen rood per dag. Ik tobde al jong over wie ik was en waarom ik bestond.

 

Tijdens mijn puberjaren wilde het niet vlotten met vriendinnen op de middelbare school, en liet ik veelvuldig mijn hart breken. Het zelfmedelijden druipt van de bladzijdes van mijn pubermeisjesdagboeken. Waarom hadden anderen wel een leuk leven en ik niet? In mijn studententijd waren er dagen dat ik niet uit mijn bed wilde komen. En ook al had ik huisgenoten die valium en antidepressiva slikten, niemand praatte over somberheid. Het paste niet bij een tijd die bol stond van feesten en vrijheid. Als ik me slecht voelde, ging ik onopgemaakt en met ongekamde haren bij vriendinnen op bezoek, wachtend op de vraag ‘of het wel ging met me’. Kwam die niet, dan voelde ik me nog eenzamer, en werd bevestigd dat niemand van me hield. Vriendjes maakten het uit omdat ze aangestoken werden door mijn neerslachtigheid. Toen vond ik het bizar, maar nu ik zie hoe ik soms op de somberheid van mijn kind reageer, snap ik het wel.

 

Deze week las ik over de stijgende zelfdodingscijfers onder jongeren. Dat één op de vijftien jongeren te maken heeft met een depressie. Het deed me pijn en maakt me angstig voor wat misschien nog komen gaat. Ik weet inmiddels dat mijn levensgeluk mijn eigen verantwoordelijkheid is, dat sporten, regelmatig leven en contact met anderen zoeken als ik me juist wil afsluiten, mij helpt. Mijn zoon moet dat nog ontdekken.

 

De laatste tijd ben ik vaker stil als hij zegt dat niemand van hem houdt. Soms vraag ik: ‘waarom denk je dat?’ Het antwoord, vaak iets in de trant van ‘gewoon’ of ‘weet ik niet’, doet er eigenlijk niet toe. Met mijn vraag hoop ik dat hij voelt: ook deze minder leuke gevoelens mogen er zijn. En hoeveel ruzie we ook hebben gehad op een dag, elke avond als hij met zijn neus in een Duckpocket zit, kom ik hem nog een knuffel geven. En fluister in zijn oor ‘Ik. Hou. Van. Jou.’

 

Door: Miloe van Beek

 

Freelance journalist Miloe van Beek is wars van mooie plaatjes, en altijd op zoek naar het echte verhaal. Ze is chronisch chaotisch, heeft geen enkel paar dezelfde sokken, maar wel twee luidruchtige kinderen, een ongehoorzame hond, twee katten en een man met een carrière.