‘Mag ik nog koffie?’

Miloe wil haar huis terug. En haar koffiemachine.

 

 

We kochten een huis. Dat moest worden verbouwd. En dus trok er de afgelopen weken een stoet werkmannen (ook wel praktisch opgeleiden genoemd) voorbij. Van metselaars tot stukadoors, van elektriciens tot bestraters en van timmermannen tot vloerenleggers. Allemaal mannen, allemaal rokers, allemaal met een radio vol Hollandse hits, een koelbox met broodjes leverworst en heel veel moeilijke vragen. Over leidingen, buizen, riolen, constructies, stopcontacten, spotjes, tegels en vensterbanken. Toen we ons oude huis nog hadden, ging ik af en toe voorzichtig even kijken, knikte een paar keer schaapachtig, vroeg of ze nog iets nodig hadden en vluchtte weer snel.

 

Maar toen verhuisden we, ging man weer werken, de kinderen op kamp en klapte ik mijn laptop open tussen de dozen in mijn nieuwe werkkamer. Er was nog geen keuken, maar daar zou installateur G. voor zorgen. Vanaf het moment dat hij binnen kwam (om 6.45u!) wist ik dat G. de grootste uitdaging van de verbouwing zou worden. G. begon namelijk direct te mopperen. De keuken was scheef. De andere installateur had het niet goed gedaan. Het was te warm. We hadden een hond. En katten. De tekeningen klopten niet.

 

Ik zette koffie in de hoop G. wat milder te stemmen en dwong mezelf tot het doen van smalltalk.

 

‘Dat wordt de komende dagen pizza bestellen want de keuken kan ik niet gebruiken.’

 

‘Jij liever dan ik. Vroeger at ik wel pizza, maar tegenwoordig ben ik van het gezond eten. Is belangrijk hoor. Dan voel je je veel beter.’

 

‘Ja dat is ook zo. Misschien maak ik wel een salade.’

 

‘Ik lust wel een bakkie koffie trouwens. Met twee klontjes suiker. Of doe maar drie. Ga ik even roken.’

 

Het leek me verstandig om geen opmerking te maken over het effect van zware shag op zijn gezondheid en vluchtte naar mijn werkkamer. Daar verschool ik me tot ik G. ‘Hallo, is daar iemand?’ hoorde brommen. Met zijn handen in zijn zij wachtte hij me op.

 

‘Waar wil je die stopcontacten?’

 

‘Uhm.. ik dacht, daar misschien?’

 

‘Ik zou zeggen die ene daar en die andere dwars anders past het niet.’
‘Oké.’

 

‘En de spoelbak links of rechts?’

 

‘Nou uhm..’

 

‘Links dus. Dan zit er ruimte tussen de bak en dat kleine bakje, wil je dat?’

 

‘Uhm. Nou..’

 

‘Zou ik doen. Kun je een kopje neerzetten. Geen idee wat je wil gaan doen met dat kleine bakje trouwens.’

 

‘Dat leek me handig voor groenafval.’

 

‘Tssk. De kraan, waar komt die?’

 

‘Nou uhm.’

 

‘In het midden. Veel te veel keuzes tegenwoordig. Dat is niet goed voor mensen. Koop zo’n oude Bruynzeel keuken op Marktplaats, beetje opknappen, klaar. Mag ik nog koffie?’

 

G. was ’s avonds om acht uur klaar en liet me uitgeput en met een lege koffiemachine achter. Toen hij de volgende ochtend om half zeven weer op de stoep stond, stuurde ik man naar beneden. Die deed niet aan smalltalk, hoorde ik al snel aan het volume.

 

‘Als het zo moet hou ik ermee op. Ik heb dit nog nooit meegemaakt. Doe eerst maar koffie.’ Man vond ergens nog een zak bonen die G. kalmeerde. Hij bleef, zuchtte, steunde, zweette en rookte tot hij ’s middags meldde dat hij ‘ein-de-lijk’ klaar was.

 

Praktisch opgeleide mensen hebben wonderen verricht de afgelopen weken. Hun werk is in mijn ogen vele malen moelijker dan stukjes tikken. Ik ben ze echt heel dankbaar. Maar nu wil ik mijn huis terug. En mijn koffiemachine.

 

Door: Miloe van Beek

 

Freelance journalist Miloe van Beek is wars van mooie plaatjes, en altijd op zoek naar het echte verhaal. Ze is chronisch chaotisch, heeft geen enkel paar dezelfde sokken, maar wel twee luidruchtige kinderen, een ongehoorzame hond, twee katten en een man met een carrière.