Een kat verhuizen is geen kattenpis.

Nagels laten knippen en een paar dagen binnen houden, hoe moeilijk kan dat zijn? Te moeilijk, bleek bij de kat van Lisette. Ze had het zo goed bedacht allemaal. Maar alles wat fout kon gaan, ging mis.

 

Zijn nagels – ik wist dat ik iets aan die nagels moest doen. Want in het oude huis was vrijwel geen muur te bekennen zonder krabsporen. En die wilde ik niet in mijn pas geverfde nieuwe huis.

 

Mijn kat Tommy, officiële naam Tomford Phineas maar ik zeg gewoon Tom, was eigenlijk al een buitenkat toen ik hem van mijn dochter overnam, zo eentje die dode kikkers en vogeltjes voor je neerlegt als cadeautje. Ons huis aan de rand van Broek in Waterland was perfect voor hem en we zagen hem in de zomer niet zo vaak. ’s Winters wel, dan lag hij ergens in huis te slapen. Ik ben natuurlijk dol op dat beest, zo gaat dat met beesten, maar om nou te zeggen: lief… Nee. Als je hem te lang aait, gaat hij slaan. Met die nagels. Voor kinderen is hij ook niet helemaal veilig. Het is een kat met karakter, zeg ik weleens. Een slecht karakter.

 

Toen ging ik scheiden en verhuizen naar Rotterdam. Zelfs al weet ik dat ik in dit huis niet langer dan een paar maanden kan blijven, toch moet Tommy mee; mijn ex wil hem absoluut niet. En ik kwam pas op de laatste dag op dat idee van die nagels. Dus hij was ’s middags al een keer in een kattenmand gepropt en meegevoerd naar de dierenarts… en daarna moest ik hem ’s avonds wéér lokken met een bakje extra lekker voer en in zijn nekvel grijpen en in datzelfde mandje stoppen voor de verhuisreis.

 

Dat trok hij niet. En hij liet het me weten, de hele weg naar Rotterdam, aan één stuk door luidkeels miauwend. Ik had bedacht dat ik hem op het balkon zou laten, dan kon hij daar beginnen met wennen. Oerdomme gedachte! In één vloeiende beweging was hij van het balkon afgesprongen op de kap van het zonnescherm – o ja, dat is waar, dat kunnen katten – en bij de buren op een plat dak gaan zitten. Luidkeels miauwend in de stille zomernacht. Gelukkig waren de meeste buren op vakantie.

 

Ik ging maar naar bed. Halverwege de nacht kwam hij naast me liggen, spinnend. Ik al helemaal blij: kat in het bakkie! Maar nee, dat bleek nou juist niet het geval: toen ik opstond in het donker om iets te pakken trapte ik ergens in… Inderdaad, pal naast de bak had hij een handvaste kattendrol gelegd. O ja, dat is waar, hij houdt niet van klapdeurtjes dus ik had het klepje van de bak moeten verwijderen. Maar op dat moment dacht ik alleen maar: ooooh als hij maar niet gaat pissen op de vloerbedekking, en ik nam het risico en deed beneden de tuindeur open.

 

Kat weg.

 

Sindsdien woont hij bij de achterburen in de tuin. Ik geef toe: die is veel groter en lommerrijker dan die van het huis waarin ik nu zit. Ik kan hem soms zien liggen en ik ben ook al een keer omgelopen en heb met de achterbuurvrouw samen gekeken of ik hem kon lokken – maar hij rende weg toen hij me zag. Een keer of drie, vier per dag komt hij hier aangeslenterd en dan geef ik hem eten. Buiten, want hij weigert binnen te komen. In alles laat hij merken: jou vertrouw ik niet meer. Jij stopt mij in enge mandjes en dan ben ik mijn nagels kwijt, en mijn thuisland.

 

Mijn dochter appte: “Hij is dus niet zielig?”

 

“Nee,” appte ik terug, “wel afstandelijk. Zoals de meeste mannetjes in mijn leven.”

 

De laatste dagen mag ik hem wel even aaien. En gisteren ging hij zelfs een minuutje naast me liggen met dichtgeknepen ogen. Er is dus hoop. Maar ik zie al aankomen dat hij nét gewend is tegen de tijd dat ik hier weer weg moet…

 

Door Lisette Thooft

 

Lisette Thooft is rebalancer en noemt zichzelf lijf- en schrijfcoach. Ze schrijft al jaren voor vrouwenbladen en spirituele tijdschriften en is auteur van achttien boeken over persoonlijke ontwikkeling. Daarnaast is ze moeder en grootmoeder