songfestivalfeest
songfestivalfeest

Wieke gaf haar fiets aan haar Zambi­aanse buur­vrouw

 

 

‘Your bike,’ mailt ze, ‘is my baby and my freedom!’ En dat is waarom, als het in Wieke’s leven tegenzit, ze aan haar denkt.

 

Vorige week appte mijn Zambiaanse buurvrouw Hilda een foto van zichzelf op mijn fiets. Ik kocht die saaie maar oerdegelijke tweedehands fiets in 1997 voor tweehonderdvijftig gulden en mijn humeur was veertig graden onder nul. Mijn oudste zoon had mijn vorige fiets, een stoere, rode leukerd,  geleend en geparkeerd bij het station van Heerhugowaard. En van al die honderden fietsen daar, vond een dief de mijne het mooist. Hij belde me: ‘Mam, ik heb slecht nieuws!’ Dan denk je eerst aan een ongeluk, maar hij leefde nog, dus hoe erg kon het zijn? ‘Je loopt maar naar huis!’ tierde ik. Bij nader inzien vond ik dat zielig, want wat kon hij er aan doen? Niets. Fietsendieven bestonden al toen de fiets net was uitgevonden. Dus ik ging hem toch halen.

 

In 2012 stuurde ik mijn fiets met de container mee naar Zambia. Na vier maanden arriveerde hij en wat was het heerlijk om zes jaar lang over de Afrikaanse landweggetjes te fietsen. Toen het bekend werd dat wij voorgoed naar huis zouden gaan, wilden tientallen mensen mijn fiets kopen. Inmiddels waren buurvrouw Hilda en ik dik bevriend geraakt. Haar man was priester van de Anglicaanse kerk en werd aangesteld als geestelijk begeleider in ons ziekenhuis. Met hun dochtertjes van acht en vijf woonden zij naast ons, in slechts één kamer van vier bij vier, in een barak.
 

Hilda en haar kinderen met mijn fiets

 

Omdat kerk en ziekenhuis met elkaar overhoop lagen, kregen ze maar geen echt huis. Ik liet mijn fiets bij haar, want ze hadden geen vervoer en nauwelijks geld. Ze moesten rondkomen van honderdtwintig euro per maand.  Omdat ze kennelijk te lastig werden, met hun herhaaldelijk vragen om een iets groter huis, plaatste de kerk het gezin over naar Mzoro, een dorp in de bush. Kinderen weer naar een andere school, in een ander taalgebied. Ik ken Mzoro wel. De vijftig kilometer lange weg erheen is een drama, vol kuilen en rotsblokken.
 

 

Nu zitten ze in een bouwvallig huis vol scheuren, zonder plafonds onder het dak waar vleermuizen onder hangen en rondvliegen. De stopcontacten zijn kapot en levensgevaarlijk. De waterleiding doet het niet. We hebben het hier over Zambianen die gestudeerd hebben, die vooruit willen en die op een schandelijke manier tegengewerkt worden door het instituut kerk. De ‘dean’ van die kerk had beloofd het huis op te knappen voor ze kwamen, maar die man neemt zijn telefoon niet op. Hilda, voor geen gat te vangen, haalt nu op mijn fiets water bij een pomp, een paar kilometer verderop. Zie de foto. Ze kookt op de mbaula, de houtskoolstoof, terwijl ze een fornuis gewend was. De meisjes, acht en vijf jaar oud, zijn als de dood voor die vleermuizen. Ik zou mijn geloof aan de wilgen hangen. Maar Emmanuel en Hilda geloven dat God ze zal helpen, en deze situatie is een uitdaging die ze wel weer te boven komen, denken ze. ‘Your bike,’ mailt Hilda na het water halen, ‘is my baby and my freedom!’

 

Als het in mijn eigen leven tegenzit, denk ik aan Hilda, rots in de branding voor haar gezin, die elke dreun opvangt met een blijmoedigheid die mij nederig stemt. Wij missen elkaar!

Door: Wieke Biesheuvel

Wieke Biesheuvel werkte en woonde zes jaar in Zambia, is nu voorgoed terug en probeert het Nederlandse leven weer onder de knie te krijgen. Waarbij ze beurtelings verbaasd, boos, dolgelukkig, verward of blij is.

Afbeelding van Wieke Biesheuvel