Wat je niet moet willen

 

‘Ik’ en ‘wil’. Dat zijn twee woorden die je vroeger niet samen mocht uitspreken, behalve op je verjaardag.

 

 

Op je verjaardag mocht je namelijk aangeven wat je wilde eten, en de rest van het jaar at je gewoon wat de pot schafte. Punt!
 

Dan had je weer gewoon 364 dagen niets te willen, riepen je ouders dan. Want zij wilden al zoveel. Zij wilden dat je beleefd was tegen andere mensen, dat je je bord leeg at, je huiswerk maakte, de tafel afruimde, naar school ging, en dat je je oren goed schoonmaakte als je naar de kapper ging.
 

Bovendien wilden ze ook nog dat je heel veel dingen juist weer níet deed. Dingen als roken, spijbelen, stelen, brutaal zijn en te laat thuiskomen. En toen je eenmaal volwassen werd, ging dat ‘willen’ ook nog eens over in ‘moeten’. Dacht je eindelijk te kunnen doen wat je zelf wilde, maar nee hoor… toen ‘moest’ je weer naar je werk. Naar je werk om daar te doen wat je baas wilde.
 

En je moest natuurlijk ook nog schoonmaken, gezond eten, sparen, de huur betalen, stemmen, je baard laten staan (is me nooit gelukt) of je rok boven (of juist weer onder) de knie dragen.
 

Pfff… wanneer kan ik nou eindelijk eens doen wat ik zélf wil, verzuchtte ik vaak. Maar het werd alleen maar erger. Ineens moest ik namelijk ook nog twee dingen tegelijk gaan doen. Werken en studeren bijvoorbeeld. Of op vakantie gaan en cultuur opsnuiven. Een goede moeder zijn, maar ook een leuke collega. Een aanbiddelijke vrouw zijn, maar ook een lieve vriendin.
 

Sjonge, jonge… als ik eraan terugdenk, heb ik het best druk gehad met al dat ‘moeten’. Terwijl al die tips over wát we dan moesten toen nog maar een keer per week tot je kwamen. Of zelf maar een keer per maand. Via wekelijkse of maandelijkse bladen of tv-programma’s. Maar nu? Nu komt dat soort onzin de hele dag tot je via je telefoon. Krijg ik de hele dag tips om twee dingen tegelijk te kunnen doen die allebei goed voor me zijn, maar waarmee ik dan tijd kan besparen. Of geld. Of energie en de natuur. Of waarmee ik nog wat tijd kan rekken die ik al zo lang tekort kom.
 

Dan moet ik op één been gaan staan tijdens het tandenpoetsen, om mijn spieren en evenwicht goed te trainen. En dat doe ik dan netjes. Ik moet mijn bekkenbodem aanspannen als ik de rij sta bij de kassa, om op latere leeftijd lekkage te voorkomen. Ik moet mijn armen naar het plafond sturen en heen en weer bewegen tijdens het schrijven, om een stijve nek en schouders voor te zijn, en ga zo maar door. Ik moet zelfs de natuur opmerken als ik voor het raam zit te lezen, frisse lucht opsnuiven als ik wandel, een trap zoeken als ik naar de lift loop, squats doen voor meer bil (terwijl ik ook op dieet moet voor minder bil) en mijn haar laten uitgroeien voor een natuurlijke look (die dan weer samen moet gaan met mijn onnatuurlijk witte tanden). Snap jij het nog?
 

Maar nu ik ouder word, begin ik eindelijk door te krijgen dat ik me helemaal niet hóef te houden aan al die dingen die anderen van me willen. En zeker dat ik geen twee dingen tegelijk moet doen, want dat is helemaal niet fijn.
 

Want als ik dan doordraai en een burn-out oploop, weet je wat ik dan weer ‘moet’? Dan moet ik naar een lifecoach en die gaat me dan leren om mindful te leven.
 

En weet je wat dat inhoudt, dat mindfulness?
 

Dat je maar één ding tegelijk doet!
 

‘Moet’ je nagaan! Dat ‘wil’ je toch niet? Van mij ‘hoeft’ dat allemaal niet hoor.

Door: Tineke

Tineke is schrijfster van de boeken “Toch?” en “Stof Genoeg” en ze blogt ook zo nu en dan. Ze woont op het platteland met één (leuke) man, twee (lieve) kinderen, drie (onbespeelde) muziekinstrumenten, vier (wisselende) mantelzorgprojecten, een (bijna) vijfde boek, haar zesde (luie) kat, en (dus) ongeveer zeven muizen.

Afbeelding van Tineke