Wat app je d’r eigenlijk aan

 

En ineens vond ik het abnormaal worden. Of moet ik zeggen app-normaal? Voor alles lijk ik een app nodig te hebben.

 

 

Voor een gezondheidscheck, bankieren, verkopen, betalen, overal moet ik eerst een app voor downloaden. Een app waarmee je leven wordt vastgelegd, gemeten, gejat, totaal overgenomen en zelfs doorverkocht.

 

En ineens voelde ik me een Johnny D’app. Johnny Depp dacht ook nergens meer over na – zelfs trouwen met Amber deed hij zonder eerst even te overwegen of dat wel verstandig was – en ik volg die man nu dus echt voor geen meter meer. Toen hij nog mooi was, en zijn hersens en talent nog gebruikte, in plaats van drank en drugs, had ik hem graag een keer “op de app gehad”, maar nu hoeft dat niet meer. Ik ben gestopt met dat soort figuren te volgen via de Facebook-app, de Twitter-app, of die van Insta, Pinterest, LinkedIn, enzovoort.

 

Sterker nog: ik heb niet alleen Johnny Depp eruit geknikkerd, maar ook al die apps. Op de WhatsApp-app na, want die kan volgens mij nog niet op een andere manier, maar verder doe ik alles nu weer via de browser of ik doe het helemaal niet. En het is me toch lekker rustig nu!

 

Steeds vaker las ik dat er van alles van je kon worden gestolen of gelekt, en toen ik eens kritisch ging kijken welke apps ik nou echt nodig had, ontdekte ik dat ze me allemaal eigenlijk gestolen konden worden. Weg ermee dus, dacht ik op een ochtend. Als ik naar buiten wil voor een wandelingetje dan kijk ik wel even door het raam, in plaats van op de buienradar. Als de zon hoog aan de hemel stond, maar de buienradar zei dat het regende, dan was ik alsnog in staat om dan maar binnen te blijven. Dom toch?

 

Tanken, bellen, bankieren, boodschappen: we doen het allemaal met appjes. Een vriendin van mij maakt zelfs haar ommetjes ermee. Het ommetje van ’s avonds na het eten – wat zich dus afspeelt in een straal van ongeveer vijf kilometer rondom haar huis – doet ze turend op haar telefoon. Ze kijkt voortdurend naar haar scherm om te zien wanneer ze een zijstraat in moet, een bocht moet nemen of een bruggetje moet oversteken, en ze mist de buren die haar groeten, de bloesembomen bij het buurthuis, de narcissen bij meneer Jansen, en de lammetjes in de wei staan haar allang weer als volwassen schapen aan te staren voordat zij doorheeft dat er überhaupt dieren staan achter dat hekje waar ze langsloopt zonder ooit op te kijken van haar telefoon (da’s een hééél lange zin, maar zolang ik die niet met mijn dikke vingers op van die kleine toetsjes in een of ander appje op mijn telefoon hoef te tikken, gaat dat prima).

 

En da’s toch jammer? Dat jij alles mist, maar dat de app niets van jou mist. Ik “app” daar dus schoon genoeg van, en “app” nu al die spyware gewist en kijk wel weer zelf om me heen om te weten hoe mijn leven eruitziet. Veel leuker!

 

Ik hoef geen appje om te weten welk vogeltje ik hoor zingen. Ik kijk wel naar de boom waar hij in zit, en geniet dan ook nog even van zijn schoonheid.

 

“App” je in de gaten hoeveel mooier het leven dan eigenlijk kan zijn? “App” je ’m door?

 

Waarmee ik dus niet bedoel dat je dit nu moet doorsturen, maar er gewoon even lekker je voordeel mee moet doen. Vertel het bijvoorbeeld eens door wanneer je iemand tegenkomt op straat. Een praatje is vaak zo veel leuker dan een opgelegd rondje, omdat je appje weer piept dat je stapjes moet zetten.

 

En het aantal stappen luistert echt niet zo nauw. Maar dat je bloedruk ervan daalt dat staat wel vast! En dat hoef je dus echt niet allemaal te laten weergeven in een app.

 

Daar “app” je dus eigenlijk niks aan.

 

 

 

Door: Tineke

Tineke is schrijfster van de boeken “Toch?” en “Stof Genoeg” en ze blogt ook zo nu en dan. Ze woont op het platteland met één (leuke) man, twee (lieve) kinderen, drie (onbespeelde) muziekinstrumenten, vier (wisselende) mantelzorgprojecten, een (bijna) vijfde boek, haar zesde (luie) kat, en (dus) ongeveer zeven muizen.

Afbeelding van Tineke