Voor mijn verjaardag vorige week kreeg ik van mijn man een beddensprei. Nou hoor ik je denken. En inderdaad dacht ik dat ook. Een beddensprei? Hoe verzint hij ‘t? Maar er zit een dieper verhaal achter en dat is mooi. Want in werkelijkheid was mijn cadeau dat ik lid ben geworden van The Linen Project en dat is een initiatief dat me past als een warme jas.
Want door mijn lidmaatschap kan ik het volledige industriële proces van linnenzaadje tot vezel tot textiel meemaken. Met als eindresultaat – zo luidt de belofte – een ‘prachtige’ sprei die ergens eind van dit jaar geleverd zou moeten worden. Die sprei neemt me intussen mee op een reis die begint bij het zaaien van het vlas op het land van een boerderij in de Biesbosch – wat net is gebeurd. Na honderd dagen van groei en bloei wordt het vlas geoogst en op het veld op sprei gelegd – waarmee geen beddensprei wordt bedoeld in dit geval, maar dat het vlas gespreid wordt neergelegd – om te roten: de vezels worden als het ware vrijgemaakt. Vervolgens wordt het vlas verwerkt, wat wil zeggen gezwingeld en gehekeld, gesponnen en dan, als de winter alweer aan de deur klopt, geweven tot mijn sprei.
Ik heb me weleens verdiept in de productie van zijde, wat begint met het kweken van moerbeibomen, waarvan de bladeren het hoofdvoedsel vormen voor de zijderupsen. Die beestjes spinnen al etend cocons van een lange, doorlopende draad die bestaat uit een natuurlijk eiwit: de zijdedraad. Die wordt na ongeveer 25 dagen geoogst en dat is nog een heel priegelwerkje, waarbij de rupsjes overigens het leven laten. Als je bedenkt dat er heel wat van deze draden nodig zijn om tot een zijdedraad te twijnen die stevig genoeg is om een lap stof van te kunnen weven, dan kun je niet anders dan met diep respect naar een kledingstuk kijken dat van deze delicate stof gemaakt is. Daarbij: hoe komt een mens erop om dit uit te vinden?
Toen ik hoorde dat voor het maken van een T-shirt 2500 liter water nodig is en voor een jeans maar liefst 7000 liter, kon ik het bijna niet meer over mijn hart verkrijgen om mijn afdankertje in de container te dumpen. Het gruwelijke dierenleed dat bij de productie van angorawol hoort, keerde niet alleen mijn maag om, maar deed me ook besluiten om nooit meer één draad van die wol aan te schaffen. En precies dat is wat The Linen Project ook beoogt. Ons, mij, bijbrengen dat het nog een heel proces en een lange weg is eer een vlaszaadje een stukje linnen stof is. Het gaat, met andere woorden, allemaal niet vanzelf in die kledingindustrie. En daar sta ik graag bij stil.







