Ze rent op blote voeten naar het huis van haar opa en oma. Vijf jaar oud, te jong om weg te gaan, maar oud genoeg om te weten dat thuis geen veilige plek meer is. Alleen: bij haar grootouders is het ook niet goed. Haar opa houdt niet van mensen, en misschien nog wel het minst van zijn vrouw. Het meisje voelt feilloos aan dat ze in dit dorp aan de oever van de Rijn niet kan blijven. Dat zij hier niet kan ademen, terwijl anderen dat wel kunnen.
In Zeven brieven beschrijft Tina de Bruin een jeugd waarin veiligheid ontbreekt, zonder het zwaar aan te zetten. Het meisje weet dat ze anders is dan de mensen om haar heen. Ze kan haar oma troosten, maar niet redden. Haar houvast zit in dromen over een ander leven, in liedjes, in de hoop dat er ergens een anders bestaat. Dat het ooit goed zal komen, zoals Rex Gildo zingt.
De kracht van dit boek zit in de eenvoud. De korte hoofdstukken lezen als losse scènes, soms bijna als gedichten. Daardoor vlieg je er als lezer doorheen, terwijl de inhoud blijft hangen. De Bruin schrijft scherp en teder tegelijk, beklemmend maar ook licht, met af en toe een droge humor die het verhaal lucht geeft.
Zeven brieven is het indringende portret van een kind dat zo snel mogelijk wil opgroeien om het anders te kunnen doen. Klein van omvang, groot in zeggingskracht. Een boek dat je in één adem uitleest en daarna niet meer loslaat. Wat mij betreft een zekere boekentip om te lezen.









