‘Of het verlies van je kind het ergste is dat je kan overkomen? Ik kan er over meepraten en ik kan je zeggen dat ik levenslang kreeg op de dag dat mijn dochter, toen pas twaalf jaar oud, overleed.
Bij haar geboorte leek er niets mis met haar. Ze was weliswaar wat aan de kleine kant, maar daarover maakte de vroedvrouw zich absoluut geen zorgen. Ze had zat baby’s geboren zien worden die nog veel kleiner waren en daar was ook alles goed mee gekomen. Als ze maar goed dronk moest ik me geen zorgen maken. Maar dat deed ik wel. Dit kindje voelde heel anders dan mijn oudste drie kinderen. Niet alleen kleiner maar vooral stiller. Zo stil dat ik om de haverklap ging kijken of ze nog wel ademde als ze in haar wiegje lag. Volgens mijn man zag ik spoken. En ook mijn moeder, waarmee ik altijd op één lijn zat, zei dat ik moest ophouden met dat doemdenken, want zij zag er absoluut geen reden toe. Ik was pas geneigd om me gerust te laten stellen toen ze inderdaad goed ging groeien en net als mijn andere kinderen haar huiluurtjes kreeg. Het waren vast de hormonen geweest die me dwars hadden gezeten.
Toen ze bijna een jaar was en nog niet eens aanstalten maakte om te gaan kruipen, kwamen mijn angstige voorgevoelens terug. En toen de consultatiebureauarts mijn zorgen deelde en voorstelde om een grondige medische check te doen, lag ik er wakker van. Lang verhaal kort: haar ontwikkelingsachterstand werd groter naarmate de jaren verstreken. Ze leerde lopen, maar hollen zou altijd een dingetje blijven en ook haar kleine motoriek – veters strikken bijvoorbeeld – zou nooit optimaal tot ontwikkeling komen. Tegelijkertijd bleef haar cognitieve niveau heel erg achter bij haar leeftijd. Gewoon onderwijs zat er niet in, dat was al vroeg duidelijk. En zelfs aangepast onderwijs bracht haar veel minder dan verwacht.
Wij modderden door, deden wat we konden en legden ons erbij neer dat ons jongste kind anders was. Heel anders dan onze andere kinderen. Maar hóe anders en waardoor? Misschien was het omdat het een hele andere tijd was – ik spreek van zo’n veertig jaar geleden – en dat de wetenschap nog niet zo ver was als nu. Misschien moesten we gewoon blij zijn met het feit dat ze voor de rest wél gezond was.
Ze was zeven jaar toen het me opviel dat ze ongewoon vermoeid was. Zo moe dat ik opnieuw wakker lag van de zorgen. We keken het even aan voordat we naar de huisarts gingen. Die stuurde ons door naar de kinderspecialist en die startte een serie onderzoeken. De diagnose volgde bijna een maand later en die luidde leukemie. Weer werd me op het hart gedrukt om me geen zorgen te maken want er waren al behandelingen waarvoor ze in aanmerking kwam.
In de jaren die volgden lag ze meer in het ziekenhuis dan ze thuis was. Ze was ziek, ze had pijn, ze balanceerde op het randje van dood, knapte weer een beetje op, werd wederom ziek. Haar zo te zien lijden was ondraaglijk. Er waren dagen dat ik stilletjes bad om haar dood want alles was beter dan deze pijn. Bijna vijf jaar ging ze door een hel. En ik – wij – samen met haar. Toen kwam de dag dat ze mocht gaan en dat ze eindelijk verlost werd uit dit leven. Dat voelde als een opluchting. Al maakte dat het gemis er niet minder om. Ze was mijn dochter. Mijn vlees en bloed. Een deel van mezelf dat dit leven verliet en dat verdriet zal altijd blijven. Wat dat nog enigszins draagbaar maakt is de wetenschap dat het leven haar veel pijn bezorgde en dat ik niets kon doen om die pijn van haar over te nemen.’
Bettina’s naam is gefingeerd. Haar echte naam is bekend bij de redactie.
Er is veel over te vertellen, over moeders en dochters. Daarom hebben we er een reeks van gemaakt waarin elke week andere moeders en/of dochters aan het woord komen. Allemaal met relaties waar we ons aan kunnen spiegelen, in kunnen verdiepen, over kunnen verbazen, van kunnen genieten en van kunnen leren.
Heb jij een moeder/dochter verhaal dat je wilt delen? Dat kan ook anoniem. Als je mailt naar info@franska.nl onder vermelding van ‘moeders en dochters’ nemen wij contact met je op.







