Mijn laatste kerst als echtgenote

 

Ineke en haar man zijn zesentwintig jaar samen. Ze vieren eerste kerstdag altijd nog samen met hun twee zoons die allang de deur uit zijn. Maar ze ziet altijd enorm op tegen tweede kerstdag alleen samen met haar man. 

 

Als ik de dag voor kerst boodschappen doe in een heel drukke supermarkt valt mijn oog op een koppel dat voor mij in de rij bij de kassa staat. Een vrouw en een man van mijn leeftijd, schat ik. Een jaar of vijftig. Ze maken grapjes met elkaar terwijl ze een voor een hun spulletjes op de band leggen. Flessen wijn, een kerststol en andere lekkere dingen. Zo te zien vieren ze de feestdagen riant, want ze kopen veel in.

 

Dan kijk ik in mijn eigen karretje en zie niks bijzonders. Een pak melk, een brood en ingrediënten voor een ovenschotel. Terwijl ik op mijn beurt sta te wachten denk ik terug aan al die jaren dat ik ook zoveel boodschappen deed. Toen de kinderen nog thuis woonden en onze ouders nog leefden. Maar die oudjes zijn inmiddels allemaal overleden. Mijn man is enig kind en ik heb nog maar weinig contact met mijn zus. Dus het aantal mensen dat bij ons aan tafel zat met de kerst dunde in rap tempo uit.

 

Inmiddels wonen onze zoons op zichzelf en leiden ze een eigen leven. Mijn man en ik doen dat in zekere zin ook. Doordeweeks is hij naar zijn werk en in het weekend gaat hij, net als ik, zijn eigen gang. Er is geen ruzie, maar we hebben elkaar eigenlijk niets meer te vertellen. Hij doet zijn ding en ik het mijne.

 

Samen ondernemen we niets meer. Ik kan me niet herinneren dat we voor de laatste keer samen hard gelachen hebben, of geknuffeld of gezoend. Als mijn hand per ongeluk de zijne raakt zie ik dat hij hem ongemakkelijk terugtrekt. We zitten vast in een uitgeleefde relatie waar de stilte tussen ons oorverdovend pijnlijk is. Waar vroeger warmte en hartstocht was, is het koud en kil tussen ons geworden.

 

Hoe anders was dat toen we elkaar leerden kennen. We waren dolgelukkig en onze droom van een gezin kwam uit. De verzorging van onze jongens nam ik grotendeels voor mijn rekening zodat mijn man zich op zijn carrière kon richten. Maar ergens onderweg in dat drukke leven zijn mijn man en ik elkaar kwijtgeraakt. We delen helemaal niets meer met elkaar.

 

Van mijn droom van dat gezellige en warme gezin is weinig overgebleven. Het lijkt wel of dat simpelweg niet meer bestaat. Natuurlijk heb ik daar heel veel verdriet van. Want ik had natuurlijk heel andere verwachtingen van onze toekomst samen, als de kinderen de deur uit zouden zijn. Talloze keren heb ik geprobeerd om het gesprek hierover aan te gaan. Maar het lijkt wel alsof het mijn man niet echt iets kan schelen.

 

Na zijn werk komt hij thuis en eten we zwijgend samen aan tafel. Daarna vertrekt hij naar zijn werkkamer en blijf ik alleen achter op de bank, met het geluid van de televisie op de achtergrond. Op dat soort momenten komen de muren echt op me af. Dan voel ik me eigenlijk meer zijn huishoudster dan zijn echtgenote.

 

En als ik ’s avonds in bed kruip, waar hij dan al slaapt, vraag ik me steeds vaker af wie die vreemde is die naast me ligt. Kennelijk heeft mijn mangeen enkele behoefte meer aan intimiteit, aan aandacht, aan een leven van ons samen. Zo zitten we allebeigevangen in een relatie die ons inmiddels miserabel maakt.

 

Als ik mijn boodschappen op de band leg denk ik dat dit misschien wel mijn laatste kerst zal zijn als echtgenote. Hoewel ik financieel volledig van hem afhankelijk ben, weet ik zeker dat ik veel gelukkiger zal zijn als ik ergens op een klein appartementje alleen ga wonen. Dan kan ik het maar beter echt helemaal alleen gaan doen. Want ik voel me toch al jaren single.’