“Wat heb jij veel knuffels zeg”, het filmpje waarop Sinterklaas Flo toespreekt, bekijk ik voor de zeventiende keer, gok ik. Ik zie ons meisje frisgewassen in haar roze pyjama met witte hartjes onder een dekentje op de bank zitten. Aan de ene kant huisgenoot L., die een beetje beduusd lijkt van al het Sinterklaas-geweld, en naast haar huisgenoot A., wier vader dus Sinterklaas is. Dat heeft, ondanks zijn unieke stemgeluid, helemaal niemand door.
“Gooi je wel eens een knuffel weg?” wil Sinterklaas weten. Flo en A. slaan hun hand voor hun mond en een volle lach rolt eruit.
“Knuffels weggooien? Natuurlijk niet. Ze zijn van míj!” roept Flo uit.
De knuffels van Flo zijn als haar kinderen. Ze zijn haar allemaal even dierbaar, en wee je botten en gebeente als je er eentje uit zou halen. Flo is de hedendaagse variatie op de prinses op de erwt. Zoals in het sprookje een klein erwtje wordt opgemerkt onder een stapel van twintig matrassen, zo zal Flo het meteen doorhebben als je haar kleine Dora-baby stiekem uit de stapel zou trekken. En aangezien Flo elke maand wel iets nieuws op het oog heeft – meestal iets dat lastig of vrijwel niet te koop is, maar dat even terzijde – dijt de stapel in de hoek van haar kamer behoorlijk uit.
Haar lieve begeleiders dachten de oplossing te hebben gevonden door een Zoo-kast te bestellen. Die bestaat uit spijltjes waardoor je alles wat erin zit van alle kanten kunt bekijken, en je knuffels zo weliswaar opgeruimd, maar toch zichtbaar zijn. Flo vond het leuk, die kast. Maar haar knuffels, die hoorden gewoon op de grond.
Ik bedacht bakken onder haar bed. Daar konden we in ieder geval een deel van de dieren instoppen. Ook dat werkte. Vijf minuten. Na vele pogingen hebben we het maar gelaten. Net zoals we de strijd om het dragen van bh’tjes op een bepaald moment (Flo gooide ze elke keer ergens in een prullenbak) maar hebben opgegeven. Flo is best te buigen, maar niet te mennen. En al helemaal niet in het geval van de knuffels.
Als ik op woensdag ons wekelijkse bezoek aan Flo breng, liggen de knuffels natuurlijk in de hoek. Als ik haar haren heb geföhnd en haar kast een beetje heb aangeharkt, aai ik over de grote beer die ze in de Efteling van mijn geliefde kreeg. Verse knuffels krijgen een ereplek, dus deze dikkerd ligt bovenop. Flo trekt haar schoenen aan, want ze wil meelopen om ons uit te zwaaien. Begeleider I., een van mijn enorme favorieten, loopt even mee. Het is donker en dit is veiliger. Bij de auto kletsen we, wensen we elkaar mooie dagen en zwaaien we tot Flo en zij de deur van het verlichte huis binnenlopen. Het was een fijn bezoek, zo zeggen Bel en ik tegen elkaar. En wat doet Flo het toch goed.
Als om 21:36 de telefoon gaat en ik de naam van het huis van Flo in het scherm zie, weet ik: het is mis. Flo belt vaak, maar nooit later dan acht uur ’s avonds. Ik krijg R. aan de telefoon, die ik die middag ook heb gezien. Hij probeert me gerust te stellen, maar ik weet waar hij voor belt.
“Is er iets gebeurd?” vraag ik in een poging om hem een opstapje te geven.
Dat klopt. Flo heeft een kwartier daarvoor een epileptische aanval gehad. Het duurde niet langer dan drie minuten, dus medicatie toedienen was gelukkig niet nodig. Ze was moe en had, toen ze bijkwam, om papa en mama gevraagd. Ik voel mijn ogen, knik naar mijn geliefde die opkijkt en aan alles voelt wat er aan de hand is. Met mijn blik probeer ik te vertellen dat wat hij denkt klopt en dat het inmiddels weer soort van oké is. Tegelijk probeer ik R. gerust te stellen. Dat het vervelend is om te zien, vast moeilijk om ons te bellen, en dat hij het goed gedaan heeft.
Ze heeft zich gelukkig geen pijn gedaan, vertelt hij. Ze viel met een zachte landing – zo boven op haar stapel knuffels.







