Dat ze de bel hadden vervangen. Dat is me altijd bijgebleven. Het was het verhaal van ouders die hun dochter hadden verloren tijdens een onschuldig logeerpartijtje bij een vriendin een paar straten verderop. De deurbel was gegaan en er had een politieagent voor de deur gestaan. Gek hadden ze het gevonden, maar heel erg, dat kon het niet zijn. Hun ene dochter lag boven te slapen en de ander logeerde dus bij een vriendin.
Maar erg, dat was het dus wel. De ventilatie in de badkamer was niet goed geweest, de deur op slot, en het meest dramatische denkbare tot gevolg. Elke keer als de deurbel ging, waren ze terug bij dat moment dat hun leven voor altijd zou tekenen.
Geconditioneerde respons wordt dit wel genoemd. Een bepaald geluid — zoals die deurbel — kan diep verankerd raken in je stresssysteem als het gekoppeld is aan een traumatische gebeurtenis.
Het brein koppelt zintuiglijke prikkels zoals geluid, geur of beeld aan de intense emoties van dat moment. Vaak is dat leuk; je snuffelt aan een oude zakdoek en je ziet je grootmoeder weer voor je. Maar het kan ook andersom werken, waardoor een geluid of geur paniek of hartkloppingen kan veroorzaken. Zelfs als er geen direct gevaar is. Een oude vriendin van mij kreeg de rillingen van een pot Nivea, omdat het haar deed denken aan haar moeder die haar geen liefdevolle opvoeding had gegeven.
Ik heb geen deurbelstress, maar wel telefoonpaniek. Waar ik vroeger mijn telefoon een weekend lang in de binnenzak van mijn lief frommelde, ligt hij nu altijd in het zicht. Tijdens lunches, vergaderingen, naast het bad. Als tijdens een sportles iedereen het zweet van het voorhoofd veegt en een paar slokken water neemt, buig ik naar de vloer om mijn telefoon op te rapen. Eigenlijk altijd maar met één doel: hoe is het met Flo?
Zo vaak ben ik gebeld met de vraag of we even konden overleggen. Of ik misschien toch eerder zou kunnen ophalen. Of ik misschien wist hoe we dit probleem konden aanpakken. En daarna – het waren er gelukkig weinig, maar ze zijn in mijn brein gegraveerd – de telefoontjes die vertelden dat ze een zware epileptische aanval had gehad.
Mijn lieve jongste dochter, aan wie ik mijn belassociatie vertelde, veranderde mijn ringtoon. Vanaf het moment dat Flo een huis had gevonden, medicatie had voor haar epilepsie en over het algemeen in betere doen was, mocht ik weer even achteroverleunen, zo vond ze. Dat lukt een beetje. De telefoon ligt altijd binnen grijpbereik – maar oké, ik heb ook een lichte Instagram-addictie, dus ik kan niet alles op mijn moederhart afschrijven – maar grote paniek, die ebt langzaam weg. Inmiddels kan ik ook telefoontjes aan van ‘het huis’ zonder dat ze zijn aangekondigd door een appje. Vaak is het iets praktisch als ‘Hoe laat komen jullie?’, maar meestal is het leuk. Dan wil Flo videobellen. En zo komt het dat nu, ik gok na een jaar of zestien, mijn hart weer een huppeltje maakt als mijn beltoon rinkelt. Want het zou zomaar kunnen dat dit betekent dat ik dat liefste gezichtje van mijn meisje mag bekijken.







