Toen ik zestien was brandde de eeuwenoude carréhoeve waarin wij toen woonden zo goed als plat. Het was hartje zomer waardoor het halve dorp in pyjama toe was komen lopen om de fik gade te kunnen slaan. En die fik was enorm: honderden jaren oude eikenhouten gebinten, gortdroog door de zomerse droogte, restanten hooi, landbouwmachines, rubberen matten in de stallen waar de koeien – die godzijdank in het weiland liepen – zich ophielden; dat wilde wel en toen het eenmaal vlam had gevat kostte het de brandweer drie hele nachten en dagen voordat eindelijk het sein brandmeester gegeven werd en het puinruimen kon beginnen.
Wat zeggen mensen tegen andere mensen die in een paar luttele uren alles kwijtraken? In ons geval werd er vooral gezwegen, woordeloos getroost en geholpen. Heel veel handen werden er uit evenzoveel mouwen gestoken toen het opruimen kon beginnen. Mensen waarvan ik de naam amper wist, meldden zich in hun oudste kloffie en begonnen te scheppen met hun zelf meegebrachte schep. Hooivorken trokken de zwartgeblakerde restanten van wat eens was, uiteen en schepten ze op karren. Een grondverzetbedrijf kwam ongevraagd met groot materieel en het familiehotelletje aan de overkant liet drie keer per dag maaltijden aanrukken voor al die zwijgende, zwetende manschappen. Niemand had het over geld of tijd, men kwam en men bleef totdat het ergste leed geleden was. Toen liet de plaatselijke brouwerij een fust pils aanrukken om samen het glas te heffen.
Hoe troost je iemand die iets naars heeft meegemaakt, een groot verlies heeft geleden of een trauma heeft doorgemaakt? Het blijkt nog niet mee te vallen om de juiste toon te vinden, zo blijkt uit Amerikaans onderzoek.Waar in ieder geval niemand mee geholpen is, zijn relativerende opmerkingen over hoe het allemaal nog veel erger had kunnen zijn en dat je blij mag zijn met wat je nog bespaard bleef. Nog zo’n no-brainer is het obligate‘je kunt me altijd bellen’ of ‘je weet waar ik woon dus aarzel niet’. Maak liever je opwachting en kijk wat er gedaan kan worden. Sla je arm om iemand heen, zet een ovenschotel voor zijn deur, stel voor om de kinderen naar school te brengen, de keuken te jiffen of de was mee te nemen. En mocht je vragen willen stellen, laat het dan een échte vraag zijn. ‘Hoe gaat het vandaag me je’ is hier een subtiel verschil met het meer holle ‘hoe gaat het?’
Ik denk vaak terug aan die zomer in 1976 en hoe het halve dorp ongevraagd te hulp schoot en dat kan me tot op de dag vandaag diep ontroeren. Als je het over een juiste toon hebt die je aanslaat tegen mensen die een groot verlies hebben geleden, dan is dit ‘m







