Een op een

 

De juf van Flo belt en ik weet waarom.

 

 

Ze is jarig vandaag en dat werd gevierd met frietjes (‘Niet te veel hoor, ik weet dat je erop let’) en een knakworstje (‘ik heb gezegd dat ze zo lekker zijn dat ketchup en mayonaise niet nodig zijn’) en Flo en ik hadden ons best gedaan op het jaarlijkse cadeau. Ik vond een mooi parfum dat paste bij de energieke, altijd aan alles denkende juf, en Flo had bij Albert Heijn een kaart met een poesje gevonden. Dat de envelop bij het zelfscannen (haar nieuwe hobby) al scheurde, gaf niets. Flo dicteerde en ik schreef.

 
Dus de juf belt ongetwijfeld om te bedanken. Ik glimlach als ik opneem en wandel naar de keuken waar ik tijdens dit gezellige gesprekje de vaatwasser zal inruimen. Het rituele dat-had-niet-gehoeven en wat-een-heerlijke-geur-past-precies-bij-me volgen inderdaad en alles is zonnig zoals ik had verwacht. Voor de vorm vraag ik nog even hoe het met Flo gaat. Verwachtend op een zonnestraal verder te babbelen, want thuis gaat het zeldzaam goed met ons meisje, valt er een stilte. Dat ze het toch moet zeggen, dat ze het zo vervelend vindt. Het woord ‘zorgelijk’ doet me het aanrecht vastgrijpen. Ze heeft er al over gesproken met de schoolpsycholoog en die vertelde dat er een eind zit aan wat je kunt doen. Het is dat ik mijn telefoon vastheb (waar zijn die AirPods als je ze nodig hebt?) maar ik wil me met twee handen vastgrijpen. Ondertussen zagen zevenhonderd aardappelschilmesjes door het glanzende laagje van mijn ogen. Zo voelt het althans.

 
Er is een soort oplossing. Een-op-een-begeleiding. Ik denk aan de zoon van Romana de Vrede, Charlie. Hij kan fysiek zo sterk zijn dat er twee-op-een-begeleiding nodig is. Daar ben ik ineens helemaal niet zo ver van verwijderd.

 
De juf heeft tijd voor me en verklaart ook Flo’s gedrag. De puberteit, menstruatie, hormoonschommelingen en ook een lokaal waar haar groep een uur voor het einde van hun dag uit moet omdat daar naschoolse activiteiten worden gehouden. Ik zeg verbaasd te zijn dat dit nog steeds zo is. Dus je hebt een groep kinderen met een beperking die het best gedijen bij regelmaat (daar hoef je geen pedagoog voor te zijn) en die verhuis je elke dag uit hun vertrouwde plek en laat je een beetje doelloos dwalen. Vroeger speelden ze op de binnenplaats, maar nu heeft een vriendinnetje van Flo les in een lokaal dat grenst aan de binnentuin, waardoor mijn meisje voor de ramen gaat staan. En dat vindt die juf dan weer niet leuk.

 
Ik laat het aanrecht voorzichtig los. Begrijpen waar iets vandaan komt, verlicht de pijn. En een-op-een-begeleiding binnen de groep; ach, misschien ook fijn voor Flo en voor de juffen ook, want die hebben het natuurlijk zwaar met al die kinderen met hun eigen specifieke gebruiksaanwijzingen.

 
We eindigen het gesprek goed, zoals altijd. Ik zal de benodigde formulieren invullen en Flo de komende tijd een uur eerder ophalen. Toch ga ik slapen met een zwaar hart. Om een uur of vijf hoor ik de deur kraken. Een wollige onesie stommelt de kamer in. Ik til het dekbed op en maak een plekje voor haar vrij. Waar ik een snuffelcommando verwacht (of knuffelen met twee armpjes, dat kan ook), krijg ik een onverwachte zin: ‘Mama, papa, ik ben ZO blij dat jullie er zijn!’ Ze vlijt haar lijfje tegen me aan, wikkelt haar been over het mijne en zegt dan: ‘En weten jullie? Morgen schijnt de zon.’

 

 

 

Door: May-Britt Mobach

Afbeelding van May-Britt Mobach