‘Die vraag blijft maar door mijn hoofd spoken’

 

De zoon van Benthe studeert en woont op kamers, maar als ze onverwacht bij hem op visite gaat komt ze achter zijn grote geheim…

 

 

‘Al sinds de geboorte van Jelle had ik het gevoel dat er iets met hem aan de hand was. Als kind had hij vaak conflicten en maar weinig vriendjes, en daardoor werd hij ook nooit voor feestjes uitgenodigd. Ik hoopte dat het op de middelbare school beter zou gaan maar ook daar bleef hij een buitenbeentje.

 
Eigenlijk liepen we altijd op eieren en het slurpte energie. Vakanties waren nooit echt relaxed want ook daar drukte hij zijn stempel op. Hij was chagrijnig, wilde niks en maakte alleen maar ruzie. Met ons, met zijn zus of met andere kinderen op de camping; waar een conflict was, daar was Jelle bij betrokken. De keren dat ik opgelucht in de auto terug naar huis zat, zijn niet te tellen.

 
Ik probeerde echt van alles om de situatie thuis te verbeteren, ik las boeken over opvoeden, zocht op internet naar antwoorden en schakelde zelfs de huisarts in om te kijken of er niet meer met hem aan de hand was. Maar die vond dat Jelle gewoon een heftige pubertijd doormaakte en stuurde me weer naar huis. De sfeer was altijd gespannen en ik was dus best opgelucht toen hij besloot om te gaan studeren en op kamers te gaan. Dat zou de gezelligheid in huis zeker ten goede komen, al zou ik dat natuurlijk nooit hardop tegen hem zeggen.

 
De afgelopen twee jaar maakten we maandelijks een bedrag naar hem over als tegemoetkoming in de studiekosten, zodat hij niet al te veel hoefde te lenen. Dat betekende wel dat mijn vriend en ik wat beter op de kleintjes moesten letten. Maar we gunden hem een zorgeloze studententijd zonder grote studieschuld. Hij kwam niet zo vaak naar huis maar als we vroegen hoe het met zijn opleiding ging hoorden we altijd dat het prima was. Zijn cijfers waren best redelijk en ook in zijn huis had hij het gezellig. We waren dus eigenlijk heel erg opgelucht om te horen dat hij eindelijk zijn draai had gevonden. Tot vorige week.

 
Normaal gesproken kwam ik nooit in de stad waar Jelle woonde maar vanwege een begrafenis moest ik in de buurt zijn. Op de terugweg besloot ik om even bij hem langs te gaan. Toen ik aanbelde deed een van zijn huisgenoten open. Ik vroeg haar of Jelle thuis was, maar ze reageerde nogal koeltjes. ‘Hij zal wel in zijn bed liggen’, zei ze. Terwijl ik naar boven liep dacht ik nog dat hij de avond ervoor misschien wel een feestje had gehad en nog een beetje lag na te sudderen, maar toen ik aanklopte en de deur opendeed schrok ik van wat ik aantrof.

 
Overal lagen lege pizzadozen, er stonden lege wijnflessen en het rook er naar schraal bier en wiet. Jelle lag in een trui onder de dekens met de capuchon over zijn hoofd. Toen hij doorhad dat ik in zijn kamer stond vroeg hij als een wesp gestoken wat ik kwam doen, of ik hem soms kwam controleren. Toen voelde ik nattigheid.

 
Ik ging op de rand van zijn bed zitten en keek hem eerst lang en zwijgend aan. Pas na een tijdje vroeg ik hem of het wel zo gezellig was in het huis, of hij wel zijn colleges volgde, of hij überhaupt wel studeerde. In eerste instantie ging hij er tegenin, maar na een paar minuten begon hij zachtjes te huilen. Hij hoefde eindelijk niet meer te liegen, want ik was nu achter zijn geheim gekomen.

 
Al vanaf het begin voelde hij dat ook dit op een mislukking uit zou draaien, maar dat wilde hij ons niet aandoen. Daarom deed hij maar alsof en dat liegen ging hem zo goed af dat hij er bijna zelf in ging geloven. Maar al die tijd voerde hij geen bal uit en gooide hij er op onze kosten met de pet naar. Natuurlijk wist hij dat hij faalde en om dat maar niet te hoeven voelen ging hij steeds meer blowen en drinken. Sprakeloos zat ik naar hem te luisteren en ik wist eerlijk gezegd niet of ik kwaad moest zijn of met hem mee moest huilen.

 
Inmiddels woont Jelle alweer een paar weken bij ons thuis. Zijn kamer heeft hij opgezegd en hij is uitgeschreven als student. Om zijn schuld af te betalen werkt hij fulltime in een magazijn en hij heeft opnieuw bij de huisarts aangeklopt voor hulp. Mijn vertrouwen in hem heeft door al dat gedraai en gelieg een behoorlijke knauw gekregen maar ik vraag me steeds maar af of dat terecht is. Want is het zijn schuld dat hij in deze situatie is beland of heb ik te weinig mijn best gedaan om hulp te zoeken? Die vraag blijft maar door mijn hoofd spoken.’