Buurvrouw X en de flap

Ik mag met mijn werk en mijn verschijning dan geen respect bij haar afdwingen, ze helpt me hiermee wel mooi aan een onderwerp voor een nieuw stuk.

 

 

Voordat ik mijn stukje ging schrijven, wilde ik nog even een rondje lopen. Ik had al gestofzuigd, gedweild, de boodschappen gedaan, planten water gegeven, afgestoft, toiletten schoongemaakt, overal losstaande schoenen verzameld, kranten en tijdschriften geraapt, een ovenschotel voorbereid, de kattenbak geschrobd, de was weggewassen en ook nog gestreken en spinrag verwijderd. Het ramenlappen en de bedden verschonen had ik al doorgeschoven naar morgen.

 

Eigenlijk is huisvrouw (of -man) zijn een verschrikkelijk onderschat beroep. Wanneer ik twee dagen in de week als hulp in de huishouding de troep van anderen opruim, dan heet dat werken. Maar als ik twee dagen in de week mijn eigen rotzooi en (vooral) die van mijn gezinsleden verzamel, dan telt dat niet. Met drie dagen schrijven en twee dagen huishouden is het verboden om te zeggen dat ik een fulltime baan heb. Terwijl ik ook nog mantelzorger ben en in de weekenden de tuin bijhoud, vinden de meeste mensen dat ik parttime werk. Want een columnpje schrijven dat kan iedereen, en een boek schrijven ziet men toch liever als vrijetijdsbesteding.

 

En dat mag hoor! Alleen vind ik het wel vervelend dat sommige mensen daar voortdurend de nadruk op willen leggen, zodra ik in de buurt kom. Zoals buurvrouw X. Ikzelf accepteer mijn onzekere inkomen en neem haar hoon voor lief, omdat ik eindelijk kan doen wat ik het liefst doe: schrijven! Zij vindt dat echter maar een raar beroep en kan het niet laten om mij dat steeds weer te vertellen.

 

Maar goed, ik dwaal af. Ik wilde een rondje lopen, voordat ik aan mijn stukje ging beginnen. Of eigenlijk heet het snelwandelen, want meestal heb ik maar weinig tijd, verzin ik onderweg pas een onderwerp en wil ik daarna zo snel mogelijk terug om het neer te tikken. Ja, ik ben gestopt met aantekeningen maken op straat, omdat buurvrouw X toen dacht dat ik bij de politie werkte en kentekens stond te noteren. En ik kan natuurlijk wel inspreken op mijn telefoon, maar dan gaat ze weer zeggen dat ik kinds word en buiten loop te doen of ik een walkie-talkie heb. Nee, ik loop wel door en dan schrijf ik thuis wel op wat ik bedacht had. Ik trek dus mijn jas aan, spring in mijn schoenen, en zie in de zojuist gepoetste spiegel dat ik zo’n blouse aanheb die aan de achterkant langer is dan aan de voorkant.

 

Wie dát toch heeft bedacht? Volkomen hopeloos, die dingen! En je lijkt er echt niet slanker door, hoor. Omdat hij aan de achterkant meer stof bevat dan aan de voorkant, trekken die krengen altijd naar achteren en dat verbloemt in geen enkel opzicht rare kwabben of rondingen. Dus dat degene die dit ding heeft ontworpen dan wél mag zeggen dat ‘ie een baan heeft en heel hard werkt… eigenlijk snap ik er niks van.
Maar goed, ik dwaal weer af.

 

Ik prop dus aan de achterkant die hele flap in mijn broek (wat dan weer helemááál niet slank maakt, maar meer aan een peuter met luier doet denken), zodat hij niet meer aan de achterkant onder mijn jas vandaan komt. Dat vind ik namelijk armoedig staan, en ik wil op straat graag overkomen als iemand die goed verdient met schrijven. Je ziet dus niks als ik mijn jas dichthoud en ik spurt snel de deur uit.

 
En ja hoor… Honderd meter verderop: buurvrouw X!

 

 
‘Zo, lekker aan de wandel,’ constateert ze.
‘Ja, lekker weer, hè,’ glimlach ik vriendelijk.

 
‘Och, nu ik je toch zie,’ zegt ze dan, ‘kun jij mij even helpen om een kast te verplaatsen? Morgen komt mijn hulpje en die gaat mijn kleding uitzoeken, want ik krijg een nieuwe kast. Maar ik wil graag dat mijn kleinzoon eerst nog de muur achter de kast schildert. En jij hebt toch alle tijd.’

 

En die laatste zin was in mijn ogen dan weer nergens voor nodig. Kan kleinzoon die kast niet verzetten? denk ik nog. Maar ik blijf lief. Ik ben een behulpzaam typje, dus ik loop gedwee met haar mee.

 

‘Lukt het nog een beetje met je stukjes?’ vraagt ze als we binnen zijn. ‘Kind, wat zal je het druk hebben’, zucht ze diep om het nog even aan te dikken.

 

En ineens krijg ik het bloedheet.

 

Misschien kookt mijn bloed wel? Misschien is het de overgang, of misschien komt het door al dat harde werken, ik weet het niet. Maar ik trek zonder na te denken mijn jas uit en ga meteen aan de slag om zo snel mogelijk weer weg te kunnen. Ik zet de enorme kast wat naar voren, en zie buurvrouw X ondertussen denigrerend naar mijn achterkant staren.

 

Shit!… Die flap! Hij zit nog in mijn broek!

 

Nou ja, denk ik dan. Ik mag met mijn werk en mijn verschijning dan geen respect bij haar afdwingen, ze helpt me hiermee wel mooi aan een onderwerp voor een nieuw stuk. Snel weer naar huis en werken dus!

Door: Tineke

Tineke is schrijfster van de boeken “Toch?” en “Stof Genoeg” en ze blogt ook zo nu en dan. Ze woont op het platteland met één (leuke) man, twee (lieve) kinderen, drie (onbespeelde) muziekinstrumenten, vier (wisselende) mantelzorgprojecten, een (bijna) vijfde boek, haar zesde (luie) kat, en (dus) ongeveer zeven muizen.

Fotografie: Nikita Holst

Afbeelding van Tineke