songfestivalfeest
songfestivalfeest

Wiekes opa

Voor straf naar opa was echt geen straf voor Wieke.

 

Terwijl ik dit schrijf is het 28 mei. De sterfdag van mijn opa. Vlak voor zijn verjaardag en vlak voor de mijne overleed hij. Nog altijd denk ik bij belangrijke gebeurtenissen: ‘Wat zou opa hiervan gedacht/gevonden hebben?’ Terwijl hij al 45 jaar dood is. Hij was de enige die mij Wiekeltje noemde. Hij was mijn veilige haven als het thuis niet lekker liep. Wat de aanleiding was weet ik niet meer, maar op een dag stond mijn woedende moeder bij de achterdeur met mijn pyjama. ‘Ga uit mijn ogen, donder op naar je grootvader!’ Ik zal een jaar of dertien zijn geweest. Opa wist er kennelijk al van. Hij zei niets, behalve: ‘Dag kind, wil je een witte boterham met jam?’ Bij opa had ik rust. Hij luisterde naar me, en op een dag hoorde ik hem tegen mijn moeder zeggen: ‘Waarom ben je zo streng voor Wiek? Het is zo’n goed kind!’ En ik, natuurlijk weer met mijn oor tegen de deur waarachter dat gesprek plaatsvond, dacht: ‘Zó. Nou hoor je het eens van een ander!’

 

Opa en ik… een op elkaar ingespeeld duo. Hij kon smakelijk vertellen over vroeger, over de enorme zwarte hond die hij had geleend van een vriend. Dit om indruk te maken op zijn aanstaande schoonmoeder, van wie hij wist dat ze bang voor honden was. Ga je voor het eerst op bezoek bij je schoonmoeder, neem je zo’n enge hond mee. Dat ze hem er toen niet uitgeschopt heeft… Maar emotioneel kon hij ook zijn. Als hij vertelde over zijn anderhalf jaar oude zoontje, dat in een onbewaakt ogenblik van de commode was gevallen en overleed. Hoe mijn oma daar nooit echt overheen was gekomen. Daarom keek zij natuurlijk altijd zo verdrietig. Ze lacht op niet één foto.

 

 

Opa was ooit zwemkampioen van Nederland en de medaillekast met zijn prijzen hangt nu bij mij. Hij had die kast zelf getimmerd. Op zijn zeventigste sprong hij nog van de ‘hoge’ als hij met mij ging zwemmen en dan schreeuwde ik trots: ‘Dat is MIJN opa!’ Ik ben nu ook bijna zeventig. Voor geen goud zou ik van de ‘hoge’ springen. Ik woonde een jaartje bij hem toen hij begon te kwakkelen. Van hem kreeg ik de vrijheid die ik altijd zocht.

 

Op 28 mei mis ik opa. Nog steeds. Hij duikt af en toe op in mijn dromen. Dan rijd ik langs zijn huis, zie ik hem zitten en denk: ‘Ik ben al zo lang niet langs geweest… ik moet echt naar hem toe!’ Terwijl ik er elke week een paar keer kwam. En nu, vandaag, denk ik: doe mij nog één keer die witte boterham met jam.

 

 

Door: Wieke Biesheuvel

 

Wieke Biesheuvel werkte en woonde zes jaar in Zambia, is nu voorgoed terug en probeert het Nederlandse leven weer onder de knie te krijgen. Waarbij ze beurtelings verbaasd, boos, dolgelukkig, verward of blij is.