Doodziek van online zijn

Toch zijn wij de generatie die die malligheid heeft uitgevonden.

 

 

‘Ik werd eigenlijk doodziek van dat altijd maar online zijn,’ roept D. ‘Iedereen lijkt elkaar daar alleen nog maar te willen aanvallen.’ We zitten met een stel vriendinnen aan mijn keukentafel en er wordt gelukkig niet meer voortdurend op telefoons gekeken of we iets gemist hebben. Dat was namelijk nooit het geval.

 
Toch zijn wij de generatie die die malligheid heeft uitgevonden. Wij waren die gekken die ooit urenlang zaten “in te bellen” om überhaupt op internet te kunnen. Die de minuten bijhielden omdat de telefoonrekening anders nog veel te hoog werd, of omdat je plaats moest maken voor de volgende. “Online zijn” kon toen namelijk nog maar op één plek in huis. Dáár waar een enorme kast stond en waar je soms maar ’s nachts ging internetten, omdat de verbinding dan iets sneller was.

 
Ja, wij hadden er toen al veel voor over om online te zijn hoor! Maar nog geen auto-ongelukken enzo.

 

Ik vond het toen een stuk leuker. Sowieso omdat het allemaal nog nieuw was, maar ook omdat we onze blijdschap over alles ineens live konden delen via ICQ.

 

 

Ahhh… ICQ… weet je nog?

 

En, ja, blijdschap! Want in het begin was het allemaal nog erg gezellig en had niemand de behoefte om anderen te beledigen. Dat kon toen ook nog niet anoniem, en dat is iets wat voor veel mensen die dat wel doen een voorwaarde lijkt. Maar op ICQ was niets anoniem en ook niet openbaar. Je communiceerde rechtstreeks en je kon zelfs zien wat de ander aan het typen was. Je zag soms dus hele stukken tekst weer verwijderd worden, terwijl je ze allang gelezen had. Grappig! Men checkte voor verzending evengoed nog even op schrijffouten en/of impact, en dat communiceerde erg prettig. Wij konden zelfs zien wanneer iemand was vergeten uit te loggen. Ja, echt! Maar er zeurde nooit iemand over privacy, want daarvoor was het allemaal veel te leuk.

 

Terwijl ik me nu vaak verbaas over de dingen die men deelt en de reacties die daar dan weer op volgen. Zouden die mensen dat op straat ook doen? denk ik weleens. Dat ze dan naar buiten lopen en roepen: ‘Hé, jij daar met je stomme capuchon en je rare sokken! Jij mag hier helemaal niet oversteken!’

 

En zouden deze mensen daar dan ook meteen weer over worden aangevallen door de actiegroep “oversteken-met-twee-rare-sokken-moet-kunnen” die zich dáár dan weer beledigd door voelt?

 

Hoewel het lastig wordt om dat op de manier te uiten die men online nu vaak gebruikt.

 

‘Wiet je wol hoeveel pijn het diet als je mense met 2 linkerzokken aanvald!’ Dat roept toch een stuk ingewikkelder dan het schrijft. En er volgen op straat ook niet meteen reclameboodschappen van de stichting voor dyslectici op.
En natuurlijk denk ik ook weleens: Oooww, als ik toch eens los mocht. Maar ik doe het niet.

 

Ik heb namelijk allang geleerd dat mijn mening er niet zo toe doet, en ik ben bovendien nog uit het tijdperk van beleefdheden enzo. Het tijdperk dat je ook niet de middelen had om wereldwijd te ventileren, want je kwam met je commentaar niet zo heel veel verder dan de huiskamer van de buurvrouw. En dat was ook ver genoeg. En als zij het dan weer doorvertelde aan de volgende buurvrouw schaamde je je al. Ohhh, wat een afgang vond je dat.

 

Maar ja… ik heb vrienden om mijn mening mee te delen. Dus misschien heb ik makkelijk praten. Bovendien weet ik dat wat nu héél belangrijk lijkt straks gewoon weer voorbijgaat. Ik kan dus net zo goed mijn mond houden en mijn energie steken in belangrijker zaken.

 

Zoals in echt contact aan de keukentafel, bijvoorbeeld. Want toen ik nog om de haverklap zat te kijken of ik iets gemist had, was dát nou juist het enige wat ik echt miste.

 

Door: Tineke

 

Tineke is schrijfster van de boeken “Toch?” en “Stof Genoeg” en ze blogt ook zo nu en dan. Ze woont op het platteland met één (leuke) man, twee (lieve) kinderen, drie (onbespeelde) muziekinstrumenten, vier (wisselende) mantelzorgprojecten, een (bijna) vijfde boek, haar zesde (luie) kat, en (dus) ongeveer zeven muizen.