Moeder en dochter in Parijs

En dan vertelt ze May iets, wel heel bijzonder en mooi.

 

 

Ineens gaan we. Naar Parijs. Ze is met haar negen jaar groot genoeg om het Parijs waar haar moeder zo vaak naartoe gaat ook te ontdekken. Mijn kaartje kost honderdvijftien euro, dat van haar vijftien. Vindt ze hilarisch. De wekker gaat veel vroeger dan normaal, maar we redden het. Dat we alle kleding gisteravond hebben klaargelegd helpt enorm.

 

Bij Starbucks op Schiphol, waar we op de Thalys zullen stappen, halen we een skinny tall latte voor mij en een thee met melk en honing voor haar. Waarom ze mijn naam willen weten, vraagt ze? En waarom ik dan May zeg en niet May-Britt. En dat Sophia een spreekbeurt over deze winkel heeft gehouden want haar vader werkt daar.

 

Dat de stoelen van de trein een beetje prikken. En dat het lijkt alsof die meneer daar verderop een beetje moet huilen. Of we nu gaan knutselen en oh ja, hoe lang het eigenlijk nog duurt.

 

In Parijs kopen we meteen een flesje water. Of eigenlijk, doe er maar meteen twee. Ze heeft de hele ochtend nog niet gedronken want die thee van die winkel waar de vader van Sophia werkt, die was niet echt succesvol. Als ik bestel kijkt ze me net een seconde langer aan dan anders. “Wat een mooie taal, mama.”

 

We meanderen door de poortjes richting de taxi’s. “112, Rue Faubourg Saint Honoré, s’il vous plait.” Als de taxi stopt, komen twee portiers in witte gesteven jasjes onze deuren openen. “Sooooo hé!” We zijn wat vroeg, maar reserveren vast een plekje voor de lunch. Twee personen graag, in de tuin. Voordat we de buurt verkennen, eerst maar even plassen. “Mam, een gouden kraan!” En of ik de handdoekjes niet in het bakje onder de wasbak wil doen, maar in het mandje. Dat lijkt haar beter.

 

Als ze dan toch echt wel een beetje moe is van het lopen – “ik zet natuurlijk twee keer zoveel stapjes als jij” – melden we ons voor de lunch. Als ze zit, schuift de ober haar stoel aan. Een centimeter. “Nou, dat was echt wel nodig hè, mam?” Ze mag cola omdat het feest is. Het roerstokje van le Bristol prikt een beetje in haar wang. Ik zou kunnen zeggen dat ze het staafje op tafel kan leggen, maar vind het te schattig.

 

De serveerster schenkt haar cola bij. “Die mevrouw houdt echt alles in de gaten, hè?”

 

Ze krijgt een mini-hamburger met kipnuggets en frietjes. De eerste die ze pakt is voor mij. Als ik twijfel of ik een glas wijn zal nemen, zegt ze: “Mam, het is vakantie!” en voor ik het weet tintelt een romige Meursault in mijn glas.

 

Ik sla een toetje over maar zij krijgt een assiette de friandises met een suikerspin – “Dat heet Barbe à Papa, Barbapapa, wat grappig!” – die nog groter is dan haar hoofd. Als ze voorover buigt en me een kusje op mijn onderarm geeft, wapperen haar beentjes. Gezellig zo, met z’n tweetjes. Maar hoe zou het met Flo en Iggy zijn? En zullen ze blij zijn met de cadeautjes die we net al hebben gekocht? “Met speelgoed is het bij ons toch een beetje schots en scheef. Flo kaapt al mijn knuffels, maar het is ok.” Korte stilte. “Mam, ik heb nog nooit ruzie gehad met Flo.” Korte stilte twee. “Wel irritatie, over die knuffels, maar echt nooit ruzie.” Ze kijkt er triomfantelijk bij.

 

Ik zeg dat ik benieuwd ben wat voor beroep ze later zal kiezen. En wat voor vriendje ze zal krijgen. En dat ik zo hoop dat ze gelukkig wordt.

 

“Nu maak je een fout, mama!” Als ze streng kijkt, heeft ze een fronsje tussen haar wenkbrauwen. “Ik wórd niet gelukkig, ik BEN gelukkig.”

 

 

Door: May-Britt Mobach

Fotografie: Esmée Franken. Visagie: Charlotte van Gulik, Haar: Isabella Greuter

Afbeelding van May-Britt Mobach