Vier werd het nieuwe vijf in ons gezin. Niet altijd, goddank, maar vaak wel. Ik moest eraan wennen. Bleef tegen beter weten in de tafel voor vijf dekken om vervolgens heel hard te huilen als het besef indaalde dat we aan vier bordjes genoeg hadden. Sinds Flo ergens anders woont, reizen we ook met z’n viertjes. Reserveren voor vier personen voelt nog altijd een beetje alsof we Flo ontkennen. Zodra de deur voor een langer praatje op een klein kiertje staat, vertel ik aan wie het maar horen wil dat we nóg een dochter hebben. Heus. We zijn nu wel hier met z’n vieren, maar eígenlijk zijn we dus met z’n vijven. Dat dat maar even duidelijk mag zijn. Het liefst pak ik er nog een paar foto’s van Flo bij.
Dit weekend zijn we voor de achttiende verjaardag van Flo naar de Efteling. Een jaarlijks uitje waar we ons allemaal buitensporig op verheugen. Even weg van de wereld, letterlijk in een sprookjesfabriek, de hele dag buiten, 20.000 stappen zettend, maar vooral: samen. Moeiteloos schieten we als gezin in de modus operandi die zestien jaar lang dagelijkse kost was. We communiceren zo onzichtbaar dat de Britse geheime dienst er nog een puntje aan zou kunnen zuigen. Een klein knikje, een halve wijsvinger even omhoog, een draai naar buiten met het rechteroog. We hebben zo onze manieren om elkaar ‘bij te praten’ over de hoedanigheid van Flo. Dat ze eten nodig heeft omdat ze anders bozig wordt. Dat we haar wel even stil laten staan in de wachtrij met papa voor het tv-scherm van Jokie en Jet en dat wij dan door de rij schuifelen en ze op het laatste moment aan kan schuiven. Dat we even óm de winkel met Efteling-souvenirs lopen en dat de ander alle zakjes met mayonaise van tafel pakt en uit het zicht legt. Wij, wij zijn een goed gesmeerd apparaat zo samen.
Flo durft overal in en wijst per attractie aan wie er naast haar mag zitten. De ene keer naast Bel, de andere keer naast Iggy. En papa mag filmen. Als ik naast Flo mag zitten, kijk ik niet naar de loopings van de Python of de immense diepte van de Baron 1898. Ik kijk alleen maar naar dat intens gelukkige gezichtje naast me. Naar dat meisje dat overal haar handjes in de lucht gooit om nóg meer te genieten van het moment.
En als we dan, na een lange dag, het Efteling-restaurant binnenlopen en de ober vraagt of we gereserveerd hebben, dan weet ik dat mijn lievelingszin zal volgen. “Dat hebben we zeker,” zegt mijn geliefde. “We zijn met z’n vijven.”






