Drank & Drugs

esther goedegebuure

 

Het is zo’n mooie, zonnige zomeravond als ik met mijn hondje over het strookje gras langs de kade slenter.

 

 

 

In de winter is het hier niet meer dan een uitlaatveld waar, god betere het, niet iedereen zich geroepen voelt om de grote boodschap van zijn huisdier op te ruimen. In deze tijd van het jaar wordt er, naast gepoept en geplast door honden, ook veelvuldig gepicknickt of gechild door jongeren. Zij liever dan ik.

 

Mijn Molly huppelt naar de waterkant waar een meisje in haar eentje zit. Een kind zoals mijn eigen dochter, met jaloersmakend glanzend, golvend haar en gekleed volgens de dresscode die voor alle pubermeisjes van deze zomer lijkt te gelden: witte sneakers, een kort strokenrokje en een sweater. Een fris en fruitig type. Maar wat doet ze raar met haar hoofd. Ze buigt het op en neer, en wat brengt ze nu steeds naar haar mond? Het is een ballon waar ze onafgebroken aan lurkt, de gastank naast haar zie ik na wat extra stappen in haar richting nu ook.

 

Ik kan mijn ogen er niet van af houden. Dit is toch geen spul dat jongeren alleen gebruiken? Lachgas is toch zogenaamd zo lollig om er zomaar een paar seconden melig en giechelig met elkaar van te worden? Ik vraag mijn oudste, die op dat moment toevallig belt of dit nou normaal is. Weird is zijn antwoord, maar echt er van opkijken doet hij niet. Misschien is ze verslaafd, zegt hij nonchalant. Verslaafd? Ik word er helemaal mies van. Van het arme kind, maar ook van het idee dat dit dus voor een jong mens niet iets is om heel vreemd van op te kijken.

 

Drank en drugs, ze zijn er in overvloed in het leven van onze kinderen. In steeds absurdere hoeveelheden, op de meest bizarre plekken en vanaf alsmaar jongere leeftijd.

 

Vrienden van ons vertelden over het schoolfeest van hun 15-jarige zoon waar cocaïne werd gebruikt. Zo’n schoolfeest in de gymzaal, waar leraren aan de kant toezicht houden.

 

Mijn 18-jarige kind dat op reis is in Zuidoost-Azië had ik voor zijn vertrek meermaals op het hart gedrukt dat hij echt met zijn tengels van drugs af moest blijven. Vanwege gevaarlijk en destructief, maar ook omdat ik ging hyperventileren van visioenen van een donkere, vochtige gevangeniscel. Dus hadden we wat stevige gesprekjes over hersenschade en over het verschil in de straffen die er op het bezit van narcotica staan in Azië ten opzichte van Nederland.

 

Deze week complimenteerde ik mijn zoon tijdens een FaceTime-gesprek dat hij er zo goed uitzag. Dat kwam omdat hij zo gezond leefde, wist hij me te vertellen terwijl hij een hap van zijn vegetarische curry met extra groenten nam. Overdag dan, schaterde hij er achteraan. Zo kwam het gesprek weer op drank en drugs. Overal waar hij en zijn onderweg gemaakte vrienden uitgingen, werd het aangeboden. Joints, pillen, coke, alles was er zo makkelijk te krijgen dat hij zich afvroeg of het nu echt zo streng gesteld was met die straffen. Dus daar ging ik weer, met mijn angsten en preken. Niet nodig, verzekerde hij me. Hij taalde niet naar drugs, vooral niet nadat hij een paar backpackers had gesproken die na het lebberen aan wat ballonnetjes een epileptische aanval hadden gekregen.

 

Maar hij vroeg me ook op te houden met ernaar blijven vragen. ‘Je maakt jezelf gek, mam, en mij eerlijk gezegd ook.’

 

Daar had-ie een punt natuurlijk.

 

Ik dacht even aan de ene keer dat ik op 16-jarige leeftijd stiekem vanuit de provincie naar Amsterdam was getrokken om daar voor het eerst te gaan blowen. Van de zenuwen had ik niets gegeten en wellicht dat het daardoor kwam dat ik helemaal van het padje raakte. Mijn vriendin en partner in crime stelde voor wat te gaan eten, misschien dat het hielp. Op het terras van de poffertjeskraam op het Leidseplein braakte ik binnen enkele minuten de hele portie poffertjes er weer uit, waarna ik door een woedende ober de straat op werd gestuurd.

 

Als ik zo’n oud-Hollandse poffertjeskraam zie denk ik nog altijd aan dat miserabele gevoel van toen.

 

Ik heb heus nog wel eens vaker een jointje gerookt, maar ik kan me niet herinneren dat andersoortige drugs salonfähig waren in de kringen waar ik in verkeerde in mijn school- of studententijd. Het werd ons ook niet op iedere hoek van de straat aangeboden. Nu ze er wel overal lijken te zijn, en er ook onder m’n eigen leeftijdgenoten niet altijd per se afkeurend over het recreatieve gebruik van verdovende of geestverruimende middelen wordt gedacht, bedank ik er evengoed voor. Ik ben te schijterig. Het lijkt me eerder doodeng de controle kwijt te raken dan opwindend. Maar ook de nieuwsgierigheid ontbreekt me.

 

Dat laatste is precies wat jongeren natuurlijk wel drijft. Die zijn naar alles razend benieuwd, vooral nu de wereld weer aan hun voeten ligt en er volop gefeest kan worden.

 

Hoe je je daar als ouder toe moet zien te verhouden? Wie het weet mag het zeggen. Blijven praten, adviseren deskundigen, en een beetje uit je doppen kijken. Maar dan toch waarschijnlijk ook weer loslaten en vertrouwen hebben, want anders, zo waarschuwde mijn zoon al, maak je niet alleen jezelf gek, maar je kind ook.

 

Had ik iets moeten zeggen tegen dat meisje aan de waterkant? ‘Nee mam,’ dat zou echt raar zijn, zeggen mijn kinderen. Ik hoop maar dat ze met haar eigen moeder praat en dat die haar ogen openhoudt.