‘Ik wil mijn broer en zijn kinderen niet bij mij over de vloer.’

 

Lizette (51) woont samen met haar man op een grote boerderij buiten de stad. Hun twee kinderen zijn het huis uit en ze genieten van de ruimte. Lizettes broer Stefan komt ook graag langs met zijn kinderen, alleen daar zit Lizette eigenlijk niet meer op te wachten.

 

‘Toen de kinderen wat ouder werden, besloten mijn man en ik dat we de stad wilden verlaten. We woonden allebei al sinds onze studententijd in Amsterdam en waren er wel klaar mee. We wilden meer ruimte en meer rust. Omdat we allebei echt van Amsterdam houden, gingen we op zoek naar een huis dat op maximaal een half uur rijden zou liggen. En dat vonden we, veel sneller dan gedacht eigenlijk. Het was wel een opknapper, het had écht veel werk nodig. Maar de locatie, de omgeving… Wij waren verliefd. De kinderen wat minder, die wilden nog lang niet weg uit de stad. Maar doordat er nog zoveel verbouwd moest worden heeft de oudste er uiteindelijk niet gewoond, en de jongste maar anderhalf jaar.

 

Wanneer we zeggen dat we op een boerderij wonen, denkt de meerderheid altijd aan een kneuterig huis met een gezellige inrichting en misschien wel veel dieren. Nou, zo is onze boerderij niet. Mijn man en ik hebben allebei een erg moderne smaak, dus de inrichting is heel strak en — volgens sommigen — steriel. Eigenlijk is het enige wat er nog staat van de oude boerderij het omhulsel, binnen is er niks meer terug te herkennen. Ieder zo z’n smaak natuurlijk, mijn man en ik vinden het hier heerlijk.

 

Toen mijn broer Stefan hoorde dat we dit huis gingen kopen, sprong hij een gat in de lucht. Zelf woonde hij ook in Amsterdam (en dat doet hij nog steeds), maar hij moest ook verhuizen omdat hij in scheiding lag met zijn inmiddels ex-vrouw. Allemaal heel vervelend en verdrietig natuurlijk, zeker omdat een huis waar je fijn kan wonen met twee kinderen niet zomaar gevonden is in Amsterdam. Na een tijdlang zoeken vond hij iets, dicht genoeg in de buurt bij de school van zijn kinderen, alleen deelden zij wel een kamer. Niet helemaal ideaal dus, maar het was de beste optie.

 

Omdat Stefan zo’n gebrek heeft aan ruimte en wij die juist in overvloed hebben, kwam hij meteen al heel vaak langs bij ons. Toen we nog in de verbouwing zaten vond ik dat niet erg, alles was een zooitje. Stefan is mijn jongere broertje, we schelen tien jaar, en zijn kinderen zijn nu 5 en 8 jaar oud. Ik heb zelf natuurlijk ook twee kinderen dus ik weet alles van opvoeden, en van de rotzooi die kinderen met zich meebrengen. Daar kan Stefan niks aan doen, en die kinderen eigenlijk ook niet. Het is niet zo dat het ongemanierde schooiers zijn of zo, maar het zijn wel gewoon kinderen die veel rommel maken.

 

En dat is het ‘m nou juist: ik heb daar gewoon geen zin meer in. Ik heb eindelijk m’n droomhuis, samen met m’n man. We hebben zoveel ruimte, het is precies onze smaak. We hebben een schoonmaakster die één keer in de week langskomt en dat vind ik prima zo. Maar elke keer als Stefan bij ons langskomt met zijn kinderen is het één grote ravage. Dat komt ook omdat wij geen speelgoed meer hebben voor kinderen en ze niks zelf meenemen. Dan gaan ze maar improviseren… En dat gaat ten koste van ons huis. Het klinkt best aanstellerig zo, dat snap ik, maar omdat bij Stefan thuis de muren op hem afkomen zit hij inmiddels elk weekend bij ons en soms ook nog een avondje doordeweeks. Het is gewoon genoeg geweest.

 

Ik heb dit voorzichtig bij Stefan aangekaart, maar echt begrijpen doet hij het niet. ‘Maar dat is wat kinderen doen toch?’ En daar heeft hij ook gelijk in. En ik ben dol op die kinderen, echt waar. Misschien is het ook zo dat alles in mijn huis nog zo nieuw voelt en ik daar zelf heel voorzichtig mee ben. Ik wil ook niet de strenge tante uithangen en ze niks laten aanraken. Nu probeer ik maar zoveel mogelijk met Stefan buiten de deur af te spreken, met of zonder de kids. Dat werkt tot nu toe goed; ik heb dan ook veel meer aandacht voor hem, want thuis word ik alleen maar afgeleid als ze overal aan het ravotten zijn.

 

Dat werkte dus goed, tot nu. Ik merk dat Stefan het niet prettig vindt dat hij niet meer wordt uitgenodigd bij ons thuis, of dat ik een alternatief zoek als hij het voorstelt. Ik hoop echt dat hij het zich niet persoonlijk aantrekt, want ik weet dat dit aan mij ligt. Ik heb gewoon zoveel bloed, zweet en tranen in dit huis gestopt; het is écht m’n droomhuis. Bij elke vlek op de muur kan ik wel janken. En de vlekken die zij — ook al is het per ongeluk — hebben gemaakt, zijn niet eens meer op één hand te tellen.’