Die aller­eerste keer

 

‘Maar de allerergste eerste keer was de eerste keer dat ik mijn dochtertje moest achterlaten. Ze was nog niet eens een half jaar.’

 

Dit is geen dreinen, geen drammen en geen jengelen. Dit is snikken. Dit is diep kleuterverdriet van de soort die vanuit de teentjes omhoog is komen kruipen. Op het bijna lege schoolplein worstelt één mamma nog met haar kleine mannetje, dat heel hard ‘bij mamma blijven’ snikt, onderwijl zijn kleine armpjes in de lucht stekend opdat mamma hem op zal tillen, aan haar borst zal drukken en weer met ‘m huiswaarts zal keren. Ik zie mamma worstelen. Met haar mannetje en met zichzelf. Als ze hem maar eerst zover ziet te krijgen dat ze binnen staan…

 

Die eerste keer dat ik mijn dochter moest overdragen aan de zorgen van een oppas. Die eerste keer dat ik haar moest achterlaten op het peuterspeelzaaltje – nadat we eerst drie keer samen waren geweest om te wennen. Die eerste keer naar een nieuwe school. Die eerste keer uit logeren. Die eerste keer een avondje stappen in de stad – en dan niet thuiskomen op het afgesproken tijdstip en de telefoon niet opnemen en dan tot het ochtendgloren stijf van de zenuwen zitten wachten. Maar de allerergste eerste keer wat de allereerste keer dat ik haar moest achterlaten.

 

Het was in de zomer van 1990. Ze was nog niet eens een half jaar. Mijn ouders kwamen haar ophalen. ‘Kom op,’ zei ik tegen mezelf. ‘Ze is bij je eigen ouders. Beter kan niet.’ ‘Ga nou maar,’ zei ik tegen ze – ik ben nooit goed geweest in afscheid nemen. Voordat ze de hoek om waren had ik al een theekopje vol gehuild. Het was geen gejengel. Het was snikken en het kwam uit mijn tenen. Twee weken zonder haar was gewoon veel te lang.

 

 

 

Een paar uur later zat ik op Schiphol. Mijn vlucht was vertraagd. Geen uur, maar úren. In Italië werd de finale van het WK voetbal gespeeld en overal op de luchthaven stonden en hingen grote schermen. In alle talen werd er gejuicht, gevloekt en gescholden. Duitsland stond in de finale – het zou ook eens niet. Ik wilde niet dat Duitsland zou winnen, maar ik wilde nog veel minder in een vliegtuig stappen. Ik wilde niet weg van haar. Daarvoor was het nog te vroeg in ons samenzijn.

 

Bij de gate zat een oudere mevrouw te breien. Ik ging naast haar zitten en bracht haar ongevraagd op de hoogte over dat ik mijn dochtertje – ‘ze is nog niet eens een half jaar’ – een paar uur geleden achter had moeten laten en dat dat voor het eerst was en dat ik me geen raad wist. De mevrouw legde haar breiwerk neer en pakte mijn hand. ‘Het komt wel goed hoor, kind. Alles went.’

 

Ik kijk naar de moeder op het schoolplein en wil tegen haar zeggen dat alles went, maar ze staat intussen binnen.

 

Door: Brigitte Bormans

 

Brigitte werkte jarenlang als culinair journalist en schreef twee kookboeken. In 2004 werd ze directeur/eigenaar van Erfgoed Logies. Maar zonder schrijven kan ze niet. Gelukkig zag Franska wel iets in haar columns, kwam van het een het ander en mag er nu ook over andere zaken worden geschreven.