‘In mijn laatste slaap word ik plotseling aan mijn arm mee terug gesleurd naar hoe het ooit was en hoe het nooit meer mag worden.’

 

 

Anna Maria is 48, moeder van een dochter van vijftien en ze woont in de Randstad. Na twintig jaar strandt haar huwelijk. Op deze plek deelt ze wekelijks haar ervaringen.

 

‘Moet je niet naar háár toe?’ Ze heeft zitten rommelen op haar nieuwe kamer – onze dochter – en lijkt er totaal mee in haar nopjes. Totdat ze weer even beneden komt en haar vader nog steeds door mijn heerlijke nieuwe keuken ziet schuiven. ‘Of is ze niet meer ziek?’ vraagt ze zonder hem verder een blik waardig te keuren. Hij murmelt zijn eeuwige het-achterste-van-mijn-tong-zul-je-nooit-te-zien-krijgen murmel en vraagt of er nog iets op te hangen valt nu ‘de man met de boor er nog is’.

 

‘Is ze ziek dan?’ Ik probeer het langs mijn neus weg te vragen maar ben niet zeker of het ook helemaal zo overkomt. Hij murmelt verder waar hij gebleven was – naar ik vermoed iets dat voor ‘griepje’ door moet gaan – terwijl hij zijn boormachine begint te demonteren om op te bergen. ‘Nee!’ zegt ze als ze hem bezig ziet. Hij moest toch nog maar even wachten want het lampje naast haar bed moet nog worden opgehangen, dus als hij dat nog even wil doen… Mak als een schaap slentert hij achter haar aan de trap op naar boven. Het verschil tussen er nooit willen zijn als we hem nodig hadden en niet weg te krijgen nu we niet meer op hem zitten te wachten, is even verbijsterend als onverklaarbaar.

 

Als ik een paar uur later in mijn nieuwe bed op mijn nieuwe slaapkamer van mijn nieuwe huis kruip, word ik vervuld van een intens tevreden ‘het is meer dan goed zo, want beter kan niet’-gevoel en ik denk dat ik al sliep voordat mijn hoofd goed en wel het verenkussen raakte. In mijn laatste slaap – als ik eigenlijk al helemaal uitgeslapen ben maar nog even blijf liggen omdat het zo lekker ligt hier – word ik plotseling aan mijn arm mee terug gesleurd naar hoe het ooit was en hoe het nooit meer mag worden.

 

In deze aflevering van hoe het ooit was ben ik net geopereerd aan mijn keelamandelen met een napijn die heel wat beroerder is dan toen ik in barensnood verkeerde. Mijn keel doet zelfs te veel pijn om te huilen, laat staan dat ik er een hap doorheen kan krijgen. Na een doorwaakte nacht waarin ik een paar keer hulpeloos zijn hand probeerde te pakken om om hulp te kermen, stapt hij uit bed om zijn dag te beginnen en me totaal overgeleverd aan mezelf nog steeds kermend van de pijn achter te laten. Als mijn dochter hem niet tot de orde had geroepen toen ze uit school kwam, had ik het zo net nog niet geweten. Maar dat had ze dus wel gedaan en daarom had hij besloten om naar huis te komen en de pizzakoerier voor te laten rijden met wat te eten voor ons alle drie. Wat er door me heen ging toen ik hem de slaapkamer binnen zag komen met die grote, platte kartonnen doos in zijn hand, is te veel om op te noemen. Achteraf zou ik zeggen dat de verbouwereerdheid de boventoon voerde. Want hoe in godsnaam kon ik ooit een pizza door mijn strot krijgen op een dag als vandaag?

 

Als ik onder de douche sta denk ik aan haar en haar ‘griepje’ en vraag ik me ongewild af hoe erg het met haar is.’

 

Benieuwd naar hoe het begon? Lees het hier.