Anna Maria is 47, moeder van een dochter van veertien en ze woont in de Randstad. Na twintig jaar strandt haar huwelijk. Op deze plek deelt ze wekelijks haar ervaringen.

 

‘Ik zie het al van een afstandje – dat het huilen haar nader dan het lachen staat. ‘Hé’, zeg ik. Van kusjes in het openbaar moet ze niets meer hebben en dat ik aan school sta is eigenlijk puur toeval. Of juist niet, want zo te zien kan ze me wel gebruiken. Eerst maar even weg van al die blikken. Ik leg mijn hand op haar schouder en trek hem meteen ook weer terug. Van aanraken en lief doen gaat ze nu júist huilen en dat is het laatste wat we nu kunnen gebruiken. Ik wacht tot we de hoek om zijn, uit het zicht van school en schoolkinderen.

 

‘Wat is er liefje?’

 

Ze breekt. Tranen met tuiten, niet meer uit haar woorden kunnen komen en heel erg boos tegelijk. Gepest is ze. Heel erg gepest vandaag. Het is allemaal de schuld van dat ene meisje, zegt ze. Dat haar vader de deur uit is, had ze gezegd, zou ze wel aan zichzelf te danken hebben. Want wie zou er nou met haar onder één dak willen wonen? Ze hoefde zich vanaf nu in ieder geval niets meer in haar hoofd te halen, had ze gezegd. Vanaf nu was zij ook maar gewoon een kutkind van een alleenstaande moeder.

 

De woede kruipt omhoog vanuit mijn maag en spat uiteen in mijn gezicht. Ik hou haar vast. Heel dicht tegen me aan. Ze laat me begaan en legt haar hoofd op mijn schouder – ze is me definitief voorbij gegroeid, schiet het door mijn hoofd. Wanneer is dat nou gebeurd? Ik haal adem. Heel diep, adem-in-adem-uit en nog een keer. Ik duw haar een klein stukje van me af zodat ik haar in de ogen kan kijken. ‘Dit gaan we oplossen’, zeg ik. Ze kijkt me vragend aan. ‘Vertrouw me nou maar. Dat kind gaat jou na vandaag nooit meer lastigvallen. Nooit meer!’ Ze kijkt me aan alsof ze me niet helemaal goed heeft verstaan.

 

Die avond, rond etenstijd, pak ik de telefoon. Niet het meisje zelf maar haar vader neemt op. Ik vraag of ik zijn dochter even kan spreken. ‘Hoezo?’ wil hij weten. ‘Om haar te vertellen dat ze het nooit meer in haar hoofd moet halen om mijn kind voor kutkind uit te schelden en haar de problemen van haar ouders aan te wrijven.’ Ik zeg dat ze nogal kwetsbaar is, mijn kind. Dat ik niet zit te wachten op – en ik ga steeds sneller en harder praten – kinderen die het mijn kind nog moeilijker maken dan ze het al heeft en dat… en ik blijf maar praten.

 

De man haalt hoorbaar adem. ‘Ik zal met haar praten’, zegt hij. Wat? Gek dat ik overal op gerekend had maar niet op bijval. ‘Ik vind het heel erg om dit te horen, dus ik zal met haar praten. Bel me gerust op als er nog eens iets voorvalt. Ik vind dit heel erg. En sterkte voor jullie.’
Niets is meer wat het lijkt. Alles loopt anders dan verwacht. Echt alles.
 

 

Benieuwd naar hoe het verdergaat? Lees het hier.