Anna Maria is 47, moeder van een dochter van veertien en ze woont in de Randstad. Na twintig jaar strandt haar huwelijk. Op deze plek deelt ze wekelijks haar ervaringen.

 

‘Eerst was het alleen maar ’s nachts maar nu is het ook overdag. Een continue stroom van herinneringen die komen en gaan.

 

Ik denk aan die avond voor mijn verjaardag. Ik zit te wachten, kan hem niet bereiken, ben onrustig. Hij zal er toch wel zijn straks als het twaalf uur is? Dit vergeet hij toch niet? Als ik in slaap val – alleen – is het dik na twaalven. Als hij ’s ochtends beneden komt, met een verkreukelde kop en een adem om op te schieten, feliciteert hij me. Ik zeg niks terug en kijk hem niet aan. Ik moet even wachten, zegt hij. Hij moet iets uit zijn auto halen. En dan komt hij terug. Met in zijn hand een doos van de juwelier. Dit is geen kettinkje maar een collier met ik weet niet hoeveel stenen. Ik zeg dat ik het mooi vind, omhels hem en voel me schuldig. Aan de hoeveelheid juwelen van de vrouw zou je kunnen afleiden hoe vaak haar man vreemdgaat. Vroeger vond ik dat humor.

 

Ik denk aan een andere keer. We lopen in de stad, hij, ik en onze dochter die nog in haar wandelwagentje zit. Ik zie haar aan komen lopen en naar hem kijken. Ik zie hem wegkijken, doen alsof hij haar niet ziet, maar ze laat zich niet negeren. Ze komt op hem toelopen en begroet hem, zo overdreven dat ik meteen de pik op haar heb. Ze zoent hem drie keer en legt haar hand in zijn nek alsof ze niet van plan is hem ooit nog ooit los te laten. Ze richt haar blik op de wandelwagen. Zegt dat ze ‘haar’ een ‘schatje’ vindt en kijkt dan naar mij omdat het blijkbaar niet anders kan. Zegt ‘ooh hallo’ zonder me een hand te geven. Zijn kuchje verraadt ongemak en de rest van de dag is hij té aardig. Maar ik ga voor het sprookje en negeer mijn gut feelings.

 

Ik denk aan die ontspannen zaterdag heel lang geleden. Hij leest de krant aan de eettafel. Ik rommel in de keuken en hoor hoe de post door de brievenbus wordt gedouwd. Rekeningen en een rare envelop met alleen een adres, geschreven met een sjabloontje, geen postzegel. Mijn naam staat erop. Ik maak de envelop open. Er zit een briefje in, een klein briefje. Daarop staat, in dezelfde sjabloonletters: ‘hij gaat vreemd, echt’. Dit briefje is te veel om te bevatten. Hij zegt ‘wat kijk je raar’ als ik de kamer binnenkom. Even later kijkt hij net zo raar. 

 

Al die signalen die ik ontkende, al die waarschuwingen die ik negeerde. Was dat laf, of onnozel? Het is te laat nu om nog langer in sprookjes te geloven en het stemmetje in mijn achterhoofd te negeren. Wat zich eerst afspeelde op een plek waar het onderbewustzijn huist, staat nu vol in de schijnwerpers. Waar ik de mythe eerst nog in stand kon houden en mijn leven overeind, is het kaartenhuis nu finaal ingestort.

 

In de gang staan de verhuisdozen klaar, als tastbaar bewijs. Ze zijn nog ingeklapt en worden per tien stuks met tie-wraps bijeengehouden.’

 
Benieuwd naar hoe het begon? Lees het hier.