‘We moeten praten’, zegt hij. ‘En het zal geen leuk gesprek worden’, zegt hij er gauw achteraan.

 

Anna Maria is 47, moeder van een dochter van veertien en ze woont in de Randstad. Na twintig jaar strandt haar huwelijk. Op deze plek deelt ze wekelijks haar ervaringen.

 

‘Het is 4 januari als hij er eindelijk mee voor de draad komt. Het is ook de verjaardag van mijn vader en alleen al daarom een datum om nooit meer te vergeten. De feestdagen waren we op wintersport. Op die 4e januari rijden we terug naar huis – een lange reis met pijnlijke stiltes, ongemakkelijke kuchjes, lange files en ontwijkende blikken. Het zou van de zotte zijn om te ontkennen dat ik al een behoorlijk tijdje aan mijn water voelde dat er iets heel erg niet in de haak was tussen ons en ik had er ook heus wel naar gevraagd, of er iets was, met hem. Maar dat was er nooit.’

 

‘Als de auto is uitgepakt loopt het al tegen middernacht. We rommelen wat onwennig door het huis, dat voelt alsof het nog niet op onze terugkeer gerekend had – wel lekker rustig zo zonder ons. Als ik hem naar de ijskast zie lopen weet ik het en voel ik meteen de bal in mijn maag. Het is de bal die voor rampspoed staat en die zich al veel te lang koest moet houden daarbinnen.’

 

‘We moeten praten’, zegt hij. ‘En het zal geen leuk gesprek worden’, zegt hij er gauw achteraan. Als ik kon, zou ik de tijd hypnotiseren, zodat die bleef stilstaan en ik het onvermijdelijke niet hoefde te horen. En dan zegt hij het toch. Dat hij bij me weggaat omdat hij dit leven niet meer wil. Dat hij vrij wil zijn, tijd nodig heeft. Voor zichzelf en om tot zichzelf te komen. Dat hij voor de vakantie al heeft uitgekeken naar een appartement. Dat ik voorlopig met onze dochter in ons huis kan blijven. Totdat hij het zeker weet. Zeker weet of het weggaan voorgoed zal zijn. Dat hij er alles aan zal doen om een vader voor onze dochter te blijven en dat zij bij hem langs mag komen zo vaak als ze wil. Dat hij eerst weg wil gaan en dat we dan wel verder zien.’

 

‘Ik ben niet zeker of ik alles wat hij zegt wel echt meekrijg. Mijn hoofd voelt raar dof en de bal is bijna ver genoeg omhoog gekropen om mijn maag om te laten kieperen. Ik klok de wijn in één teug naar binnen. Alsof een slok genoeg zou kunnen zijn om een einde te maken aan deze janboel. Droom ik nou of is dit echt? Ik kijk naar mijn spijkerbroek. Er zit een vlek van het broodje kaas onderweg vlakbij mijn knie. Ik beweeg de tenen in mijn grote schoenen die ik heb gekocht om door de sneeuw te kunnen banjeren. Ik til de vingers van mijn rechterhand op – de hand met de trouwring om de ringvinger. En dan durf ik eindelijk naar hem op te kijken.’

 

‘Is er een ander?’

 

‘Nee.’

 

Ik zeg dat hij me aan moet kijken. Met een stem die vreemd de hoogte in schiet.

 

‘Is er een ander?’